Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 103 )
moet geen verstand hebben, enz. In deze
groote klasse van onwelvoegelijke dwwshe-
den, die nu eens met dezen, dan met genen,
naam bestempeld worden, vindt men het
grootsprel.cn ^ pralen-, de "windmakerij enz.
De menschen, die naar de eene of andere
van deze dwaasheden benoemd worden, heb-
ben dit met elkander gemeen, dat zij ande-
ren leiigens op de mouw spelden, met het
oogmerk, om zich bij hen aanzien te ver-
schaffen , en hen in den waan te brengen ^
als bezaten zij voortreffelijkheden, welke zij
of niet bezitten, of die den naam van we-
zenlijke voortreffelijkheden niet verdienen.
De grootspreker verhaalt, gelijk recxls zijn
naam te kennen geeft, altijd groote, in het
oog loopende, dingen van zich zeiven; nu
eens heeft hij zes groote sterke roovers vaa
zich afgeweerd, dan weder heeft hem deze
of gene vorst een glas wijn aangebodenj Dc
pogcher spreekt van za^{ken vol goud , schoon
hij' jiii'sschien aan zilver gebrek heeft; de
windmaker zegt veelal zelf opzettelijke -on-
wairhedén, en vergroot de dingen, welke
li 4 hij