Boekgegevens
Titel: Korte schets van de geschiedenis der Nederlandsche gewesten: een leer- en leesboek inzonderheid voor meisjes
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1825
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5521
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205971
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Nederland, Geschiedenis (vorm), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte schets van de geschiedenis der Nederlandsche gewesten: een leer- en leesboek inzonderheid voor meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
recht, de waardige weduwe van Johan van 01-
denbarncyeld, begaf zich, op het hooren van de
droevige tijding zijner veroordeeling, naar den
Prins, om voor hem genade te smeelcen; maar
vergeefs. Maurits vraagde haar, waarom zij voor
haren man geene vergiffenis • was komen vragen,
zoo als zij nu voor haren zoon deed. Hierop
antwoordde de fiere vrouw: „ Mijn man was
„ onschuldig; maar mijn zoon is schuldig:" be-
toonende dus daardoor, dat zij niet schroomde
der waarheid hulde te doen, daar, waar eer en
pligt zulks vorderde. Met den oudsten zoon
des Advokaats Willem, heer van Stoutenburg,
de hoofdaanlegger der zamenzwering, liep het ge-
lukkiger af: hij ontsnapte in eene kist, begaf zich
naar Braband, nam dienst onder de Spanjaarden,
en vocht tegen zijn Vaderland. Na al deze gebeur-
tenissen , sloeg Prins Maurits aan het kwijnen,
waar aan het mislukken zijner krijgskundige on-
dernemingen niet- weinig toebragt, en hij bezweek;
den 23 April 1625, voor het geweld eener ziekte.
Hij liet den roem na, van de grootste veld-
heer zijns tijds te zijn; ofschoon zijne staatkun-
dige en zedelijke daden niet altijd de proef eener
welwikkende oordeelkunde konden doorstaan. Hoe-
wel ongehuwd zijnde, had hij, bij eene adelijke
jonkvrouwe, van Megchelen genaamd, verschei-
ne natuurlijke kinderen ; maar, geen van alle ge-
wettigd zijnde, volgde zijn broeder, Frcderik
Henderik, hem in zijne waardigheden op.
XXXIV.