Boekgegevens
Titel: Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Auteur: Schleyer, Johann Martin; Bruin, Servaas de
Uitgave: 's-Gravenhage: IJkema, 1884
Arnhem: G.J. Thieme
Opmerking: Vert. van: Volapük. - 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 533 H 31
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205876
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: kunstmatige wereldtalen
Trefwoord: Volapük, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
ieder woord zal aanvankelijk altijd tussehen haakjes geplaatst of
vet gedrukt of eursief zijn, ten einde het den beoefenaars van
Volapük duidelijker te maken.
[§93.] Meerlettergrepige stamwoorden, die met
■pii, jie, pi, po of pic aanvangen, zijn zooveel doenlijk te v e r-
m ij den, omdat ze te veel overeenkomst hebben met den lijden-
den vorm der werkwoorden en lichtelijk daarmede verward zouden
kunnen worden. — Om die reden laten wij dergelijke woorden
aanvangen met pü, pü \ pla, pla, pli\ of ha, ha, he.
[§ 94.) Grondregelen {Lenoms, stabarioms).
I. Suffi.Ka (aangehechte eind-partikels):
1) a, e en i staan bij substantieven;
2) u en ii bij adjectieven;
3) 0 en ó' bij voornaamwoorden, werkwoorden,
b ij w O O r d e n en t u s s c h e n w e r p s e 1 s.
II. Praefixa (aangehechte voor-partikels) bij werkwoorden:
1) a, ai, en pa, pai in den Tegenwoordigen tijd;
2) n, e, i, en pü, pe, pi, in den Verleden tijd;
3) O, u, en po, pu in den Toekomenden tijd.
[§ 95.] Hoofdregelen {Glenoms).
[Suffixa en Praefixa.]
1) Het teeken van het meei'VOIld is de letter
Alle woorden vormen daarmede hun meervoud, b.v.:
fat, vader; fats, vaders.
2) Moet een woord als Tl*OU\%'Clij|k aangeduid worden,
dan wordt de lettergreep j|- er voor gezet (zie § Cl), b.v.:
gok, haan; hen (kip), hoen.
3) Om een woord als onzijdig aan te duiden hecht men
er (len uitgang os aan vast.
4) De tweede naamval eukelTOlld eindigt alÜjd
op a, b.v.:
God, God; Godsk, Gods.
5) De derde nmv. enkelvoud eindigt altijd op e, b.v.:
fen, de vriend; /Zewe, aan den vriend.
6) De vierde nmv. enkelvoud eindigt altijd op |, b.v.:
blod, de broeder; blod\, den broeder.