Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 73 -
1428.
I'illps van Dorgondl{^u en IsabcUa van Porluga!«
tzAVIii ter sLYIs, aLsoc eerst MoChte,
Vau poortegaLe IsabeLe VersoClile.
[„Vrou Izabielle, 's eouiax Jaiis doelitre vau Poortegale,
quam ter Sluus, up deu heiliglieii Kersdaeh, eude omirent
xiij-daeh was de feeste vau de bruloeht gekouden te
Brugglie ^, ende op Sent Autlionysdaeli daernae, waren sy
te Ghendt met groete weerdiclieit oniianglien."]
1 Bij welke gelegenheid de orde vau het gulden vlies werd ingesteld.
1452.
VolksstrIJd in «ent.
In oVghst Vp sente GLaren-daCII
In gendt Men VeeLe roVVVen saCIl.
[Verbitterd over de, door hertog Filips in zijn muntstel-
sel aangebrachte, veranderingen, waardoor de waardij der
vroegere munten met ongeveer een derde verminderd werd,
raakten de Gentenaars in opstand, waarbij zij diie sche-
penen „dootsloughen, ende sy trocken ten huuse van
meester Heinryc Uutenhove, te Jans Grave, ende te meer
anderen, die ghevlouweu waren unter steede, ende sloiighen
hare huusen in sticken, ende namen tgoedt dat sy daer
vonden, ende sy schorpten de bedden up, ende schudden
de pluymen opt strate. Dit gheviel upten xijteu daeh van
Oughste." (Kron. van Vlaenderen, II. 33.) Hertog Filips
stelde zich, na de toegezegde berusting der opstandelingen
in zijne maatregelen, met geldelijke straffen te vreden,
waardoor deze-zelf spoedig gemaakt was i.]
1 ,, Quaut ils ont fait quelque mal, et qu'ils se voyent les plus faibles"
zogt Commines 45 jaar later van de Gentenaren, „jamais gens recher-
chent leur appointemeat en plus grande humilité qu'ils font, ni rw
donnenf plus grands sous." V. 17.