Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 68 —
[Groningen en Friesland werden, in de 1 ie en loc eeuw,
aanhoudend door de partijschappen der Schicringcrs en Vet-
koopers geteisterd; ter herinneriug van den woesten tijd
bleef ons dit volksdicht over, waarin de nagedachtenis Van
den Oostfries Folckmer Allena, verheerlijkt wordt; de on-
waarschijnlijkheid van het vermelde heldenfeit werd eehter
reeds door den uitgever van Eggeric Benninga's Historie
van Oostfriesland, waarin het door „de Erezen tho cener
getuyehnisse gedichtet, und in Friesland gesungen" ruwe,
maar krachtige lied bewaard is, opgemerkt.]
1403.
OestenDc'VVeet Dat brlXIs naChte
GheVaugen Waren VVaLVIssChcn aChte.
„Int iaar ons Heeren meccc ende iij, doen qnamen te
Oesthende gheswommen viij groete walvissche up Sentc Bri-
xiusnacht, dewelke bleven ligghende up t^andt, ende ele
der vorseide visschen was lanc bet dan kxv voeten, tus-
sehen der mule en den steerte; de neusegaten waren wel
soe groet dat menre in stac eens menschen vuyst; dc mule
was ghescepen ghelijc eenen ingeischen wullesaeke, ende
ele van den vorscideu visschen hadde in den buyc bet dan
xxiiij tonnen smoudts; ende als mense in sticken sonde
houwen, men moester met lecderen upclemmen, ende in
den buyc van den vissche stonden xvj of xvij mannen, met
schotelen ende met schuppen, tsmoudt ende dwalsschodt
uut ende sciepen, ende goten 't in tonnen, die in der vis-
schen buyke by hemlieden stonden, ende nochtans cn let-
ten sy d' een aan den anderen niet haer were te doene;
sy stonden in deser visschen buyc ende brochten dat smoudt
nte, als of sy ghestaen hadden up eenen schoenen saalvloer,
verschecden d' een van den anderen. In dit rijm is begrepen
tearnacion, dat dese vissche ghevanghen waren, ende de D
in dit rijm betiekent V^." — (Kronijk van VL II. bl. 9.)
OCto Cepit Laete praegranDIa ELanDrla Cetc.