Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— oOl- —
Neemt waer deu tijdt der heylsamer glienade,
AVilt met Magdaleua tot Christum keereu,
U souden uu beschreyt aeu de voeten des Hcereu.
Nu laet ick aeu alle bculs oock hier naer
Sevenhoudert se!ioone vergulde broecken,
•Vervult met luyscn, hier en dacr,
Meer verguit met drcck dau met goude claer,
Waut seer vele, in allen hoecken,
Sal men die qua slraetseheudcrs moeten soecken.
Die uyt sullen ziju oni rooven eu vanghen,
Maer haer eynde-veers staet al in de rechters boeckcu.
Nu wilt 'my al te samen bedauckcu,
Van mijn testament alsnu glieinaeckt,
Ick beginne vau ure tot ure tc krauckeu,
Ick valte iu gronde ghelijek der maucken,
Die souder krieken ter neder gheraeckt;
Daerom, ghy menschen, nu bidt en waeckt,
Ick neme oorlof, want iek moet sterven.
En tot Godt in liefden vicrigh blaeckt.
Opdat ghy een saligc Peys lucucht verwerven.
Diiblielzinnige rijmen.
'k Eu vind niet quaedt 't Bcstant ons voorgheslaghen.
Dat men 't weerseght Is scliadelick voorl laut.
Die dat afraedt Sticht heymelick aenslaghen,
Heeft groot onrecht Eu voedet 's oorlochsplagheu,
Jae sieh verlust Met onse schaed en schand,
In ous verdriet Des eendrachts trouwe hand.
End des lants rust Oock ghecrne sou bclaghen,
Gheheel verniet Door twist end misverstandt.
Die den Peys bundich acht. Sich grouwelyck misgrypt,
De rechte waerheyt spreeckt Die s'ontrou te ziju radet,
Hy is wel onbedacht Di' er yet goets uyt begrijpt,
Die s' hun gheheel afbreeckt Sich wijscliek beradet;
Dat men soo seer acnpreeckt Ons allermeest beschadet,
Hoe caut ous wesen quaed Daf men se houdt veixlacht,
Dus hy vol wijsheit stceckt Die sulcken Peys vcrsmadet,
Die s' aen te hooren raedt Mach met recht sijn verdubt.