Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 393 -
Denckende 'twort gedroacken ende uylgcpiat,
Üin schatten groot daerdeur te winnen,
Dits n testament, stellet in u sinnen ,
Want hier teghen cn is gheen bcweeringhc.
Leert u knechten naeyen, n jongwijfs spinnen.
Want ghy sult silten lang met sober ueeringhc.
Ghy loose soetelaers, die, met spijs cu dranck ,
Mijn hongherigen buyck eer placht tc voeden,
Bidt vry voor my, ick ben ter doot toe kranck,
AVant soo ick sterf, soo meueht ghy wcl eerlanc
U nae eouwer herberghe spoeden,
AVien sullet ghy dau meer connen vergoeden
U stinckcnde visch, kranck bier, cu grof broot.
Dus maeck ick u, uyt medelijden groot.
Een mande, om u arm leven te behoeden.
Veel oude soldaten, en vcrmiucte krijgskucchtcn.
Die blijven ooc van mijnen testament dcelachtich,
Dats magherlijck eten, naer miju berechten.
Men salse casseereu, daer eu wort niet tc vechten.
Dus moghen sy wel wesen clachtich.
Voorts sullen som bevonden ziju, het blijct warachtich,
Armeloos, handeloos, ende beeueloos mede.
Dies wijse ick desulcke, tc samen eendrachtich.
Te gaen loopen bedelen vau stede tot stede.
Ruyters, jonghers, en suoo tros-boeveu,
Kakers ende mortcpayen, my oock beschreyt,
Ghy plcecht door my niets te behoeven,
!Mijn doot mach u wel te rechte bedroeven,
Het huys vau selden-sat is u bereyt.
En soo ghy nict van u qua parten scheyt, .
Een tucht-huys, galey, kaeck, oft galghe
Uwen hals cu cromme handen verbeydt;
Ghy vult yoortaen niet meer soo uwen balghe.
Ghy vuyle, opghepronckte hoeren stout.
Die soo weeldigh onder my hebt gheseten.
En door oneerbacrheyt soo menich hert benout,
Jae gescheut, van u vuylicheyt zijn opghegeten.
Bekeert u in tijts, eert wort te spade,
Äcuveert de deucht, wilt nu cerbacrheyt lecrcn,