Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 374 -
Wt alle schanssen , verstaet den toon,
Werden die soldaten opontboón,
Want sy warender wel van doene.
Vier duysent en ses honder schepen rat. Door bcvd al van
miju hoeren,
Sy quamen meest na Willemstadt In den wiut op lavecren.
Men sachse met die chrijchsliên zaen.
Dry daghen, wilt dit wel verstaen,
Voorby Dordrecht passeeren.
Daer was ghekriel ende geschil, In die groote Armade,
Den dry en twintichsten April, Doen voeren sy seer drade,
Die soldaten met de heeren eêl,
Te Rammekens voor dat casteel,
Moesten sy malcander vcrbeyden.
Den xxiiij April minjoot, Saeh men die schepen met hoopen
Veel gasten die liepen om broot En ander spijse koopen,
T' savonts deed men de trommelen slaen.
Die soldaten moesten te schepe gaen.
Twee poorten bleven te Middelburch open.
Graef Mauritz, met zijn heyr-kracht. En liet het hem niet
verdrieten,
Te twaelf uercn al in der nacht, Hoorde men dry scheuten
Die schcpcn lichten die anckers ras, (schieten,
Want het alsdoen hooch water was,
Daer henen ghingen sy vlieten. (met verstande,
Die op Godt betrout lüj wordt bemint. Dat merckt men hiei
Godt soudt daer een Zuyd-Oosten wint. Doen wy scheyden uyt
Die schepen voeren voort seer rat, (Zeelaude,
Voor 't kercken en voor 't zwarte gat,
Quamen int landt al van Casandc.
Ons volck quam met jacht eu schuyt Seerstoutelijckte land(
Spaenjaert liep van schans en reduyt. En liepen voort mei
Het volck wordeu aent landt gheset, (schande,
Meu sloech trommen, men blies trompet.
Al in die Vlaemsche landen.
Men stelde het krijchsvolck in ghelee. En dat met blijder
schyne,
Wy kreghen in dc schans te Hofstee, Doeu toghen wy n<'
Dat kreghen wy met accoort in, (Lippijnc