Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 372 —
VI. Ja ghebuer, so lang wy dc Spangiaerts niet ontslagen en
En salt met ons niet gaen soot sou, (ziju,
Want dat sijn de ghene die ons plagende zijn,
Sy maken dat wy alle claghcndc ziju;
Sy sijn haer selven meer dan *t laut getrouw,
Sy schenden veel maeehdekcns -en menighe vrou,
Sy maken dat 't lant over al kael wordt.
En dat onsen kerf in Hollandt stael wordt.
Br. Ja, ja, wy moghen klappen dat wy willen,
Sy doen ons vast blasen al in de bussen, (len,
De Geuse-ruyters by Lutzenborgh oock den harinek vil-
Sy sullen daer wat inerijgen eer dat mense sal stillen.
Den brandt int laut en eonnen wy niet blusschen,
Seg ick te veele, men doet my sussen.
VI. Hoe meughen sijt in Hollandt al maken, gagct daer al wel ?
Br. Sy nemen haren oogst wel waer altijdt,
lek meyn inde saken vau oorlogh-spcl,
Sy hebben graef Mauritz, noch een j ongh ghcsel,
Die neemt de saeek ter herten, breet en wijt,
Soo dat hy landen en steden bevrijt.
En waer dat hy vooreomt, dat sietmen hem winnen,
Siet eens hoe ons volck haren tijt verslijt,
tSehijnt sy souden den duyvel opt kussen binden als sy
beginnen,
Maer sy houden haer meest al inde schelpen binnen.
Oft sy eomen erghens daer slaghen vallen,
En vast betalen wy al de ballen.
VI. Vau dese siecte en sullen wy niet haest ghenesen,
Dat iß mijn sorghe al nacht en dach,
Het schijnt ten mach nu niet anders wesen.
Altoos leyt my int hooft-den Vlaemschen slach,
Omdat die eerst victorie riep, daer na onder lacL
Br. Ho, ho, wildy daer af noch verhalen,
Vande TMrnhoutse beyde soud' ic ooc wel wat seggen,
Hoese daer suer bier droueken uyt bitter schalen,
Daer bleefier wel twee duysent ooek in ghetale.
Die Mauritz en Hollach giugen slapen legghen.
VI. Hoe ick meer hoor, hoe ick my meer bedroevc,
lek wou dat de Heer eeus neOrwaerts saghe.