Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 370 —
llrabani eu Vl.iaiidereii in nood.
lir. Godt gheyc u goeden dach. Vlaeaderen gebuerc,
Hoe siet ghy so schamelijc, oft zydy sieck ?
Och! zijt ghy met my oock in groot ghctreurc.
En sijt met een sieckte ghequelt ghelijck als iek ?
FL Wel Brabant, wacrdoor zijt ghy doch in onschick,
Oft sijn onse voneken oock in u landt ghevloghen?
Br. Ja sy sekerc, en vliegender noch al even dick,
En vertonden al mijn welvaren, dats ongeloghen,
Hoe maeckt ghy 'tal Vlaenderen, condy t' huys noch
houwen? ' (ghen,
VL Ja qualijck genoech, daervan moet ic mijnen noot u cla-
Mijn ondersaten zijn al in treuren, mans cn vrouwen,
So jammcrlijck siju wy alle in groot beuouwen,
Soo worden wy dagelijcx in den buydel gheslaghen.
En al te vergeefs; is dat niet een jammer-sake ? —
Och, sal den tijdt niet eens weer comcn daer ick nae hakc I
Br. Jae, Vlaenderen, ick en soudt u in drye dagen uiet al ver-
Het welcke my al te claghen staet, (halen,
tis al: daer moet geldt sijn, wy moeten dc muytenecrders
betalen,
Den Hollander weer voor die of die stadt zijn leger slaet.
Daer moet glielt wesen, dat is verloren;
Heb ickt oft niet, dan moet ick schaften raet,
Sijn die muyteneerders wech, daer werter weer ander
gheboren.
VI. So varen wy in Vlaenderen ooe met dat Oostende,
tis een landschap weerdt dat verquist is daer vooren.
En heeft alreede anderhalf j aer gheduert,
Eu blijft al even nae, hoe sou ick vreucht oorboren,
tIs niet dan schade en achterdeel, dat mijn la^j^ besuert,
tWordt al bedorven, al vernielt, al gheschcndt,
Wy mogheu ghedencken datter nu krijch wert gevuert,
tBelegh voor Oostende wijdt ick meest Brugh en Ghent,
Die hebben Albertus langhe te halse ghereden,
Sy saghen nu selve gecrn daer van ecn cndt,
Maer 't schijnt wy moetender meer geit aen bestedeu,