Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 367 —
Als de Vlaemsche woude die uoch slaet open;
Daerom wilt hen dees soussisseu met haeslen sehincken,
Alaer, doetse wel peperen dat sy niet en stincken,
En meugtse wel met sout, volcht mijn vermaen,
Opdat de Geusen van dorst de zee wtdrincken,
So moechdy droochs-voets na Oostende gaen;
Maer ick hoor sy hebbeu veel mostaert ghelaên,
Die grijpter soo menighen by den neus.
Want Iiy is seer crachtich, also ick verstaen.
En dan hebben sy oock catleu couragieus.
Die loeren op de worsten seer stil eu heus.
Als zijiide een spijse daerom sy uijgheu;
Verliest ghy den Grave en blijft Oostende Geus,
Ick duchte dinfante salder een misval af crijghen.
De spaansche galeyen.
[In Oct. 1602 kwam Erederik Spinola met G galeyen uit
Spanjen naar de Nederlanden; doch de „Staatsehen schooten
er, van de kust en uit de Hoofden zoo hevig op in, dat twee
galeyen geheel doornageld werden", en daarop bij Greve-
lingen overzeild; een bleef „door onkunde der stuurluyden"
voor Galais; twee kwamen zwaar beschadigd tc Nieuwpoort.
„De laatste, die Erederik zelv' ophadt is, met groot ge-
vaar, terug- en te Duinkerken in-gcloopcn." Wag.]
Nu loeft den Heer met hert eude met sinnen,
Al die hier binnen woont in het Zeeusche pleyn.
Wilt lancks soo meer zijn ghenade bekinuen,
Die hy wt minnen ons bewijst int ghemeyn;
Zijn kercke reyn hy vaderlijck bewaert,
Voor de Spaenschc bloethonden fel.
Die ons, tot allen stonden snel,
Meynden te wonden wel, Na haren boosen aert.
Sy sonden hier galleyen, groot van machten,
Daer door sy dachten ous te vernielen al,
Na 'tZeeus quartier was altemael haer trachten.
Om dat te smachten en brenghen gansch ten val;
Ses int ghetal, quamen sy stercklijck aen,