Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 363 —
Comt my te baet, waer moogt ghy blijven? Al voor O.
Lieven sey: ick hebt verswooren, Adieu Oostent!
Ons hooft is te groot, men brant daer hooren, Wy blijven
to Gent.
Al is Albertus opgeblasen Met groot torment,
Nu krijght hy niet al sou hy rasen Met God O.
En bidt ooek met een vast vertrouwen, Dits mijnen wins.
Voor Graef Maurits van Nassouwen En den jongen Prius.
En oock voor dc Staten der Landen, Bidt al dat leeft,
Datse God goede verstanden En wijsheyt geeft.
En oock die soo trouwehjck vechten Met goet raet wijs.
Die vroome ruyters en kloecke knechten, God geef haer prijs!
Oorlof aen arm ende rijcken Bidt God bekent,
Dat den vyant met schänden moet wijeken Al vau O.
IL
Laestmael quam ik binnen de stadt Ostende,
Doen Albertus daervoor lach en haer berende,
Met alle sijn bende, cracht, ende gewelt,
Ick ginck daer logeren tot een goedt bekende;
Want ick was vaut quaet weer noch seer ontstelt,
Dies heb ick my om slapen wat neder gevelt,
Maer ick hoorde 'tgesehut geweldich donderen;
Ja, ja, dacht ick, daermen so stijf dopt en belt.
Wie soud' hem tot slapen connen uytsonderen ?
Trommelen, trompetten, *t was om te verwonderen,
Eick raesden om 't seerste in alle contreyen;
dEen riep hier: dees gasten willen my plondercn,
dAnder creet ginder om sijn wonden en plcyen;
lek dacht H sal beteren met de wacht op te leyen,
En sal dan wat rusten sonder dangier fris,
AVant, daer den feilen ^Mars syn netten gaet spreyen,
AVie sou connen slapen daer alsulcken getier is? —
De wacht wert beset omtrent den avontstont,
sal ick immers wat slapen, dacht ick goet ront,
IMacr, eylacy ! ick vont my oock bedrogen;
Eenen hoop soldaten, die maecktent so bont.
Met singen en springen, na al haer vermogen,
Het pijpken dat speelden, de kannen die vlogen.