Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
i- 323 —
In den tijt van vier daghen, Zutphen na zijn behaghen;
Daer rasch by, Wecst al biy. De stad van Deventer vry.
Den vyant, seer hoochmoedich, Versoehte gracy goet.
Onsen j onghen prins, seer goedich, Begheerden goet noch bloet:
Wy zijn aen sulcken Heer gheraeckt, tWert niet ghelaeekt,
Die zijn vyant een gouwen brugge maeckt. (machtieh.
De Heeren Staten eendrachticii Heeft God gemaeckt soc
Metter daet sLants baet Hebben sy veel apparaet;
Den leeuw, die lach aen banden, Die laet nu sien zijn tanden,
Hy is seer rat. Vet en glat. En hout al wat hy vat,
Godt heeft hem nu ontbonnen, Ghebracht vry in dat veldt,
Men sach noyt onder sonnen Een legher soo gliestelt,
Een kloeck hooft dat haer voore gaet. Met goeden raet,
Capiteynen vroom ende soldaet.
Den oppersten God wilt prijsen. Die ons doet veijolijsen.
Door'tverstant, Dathyplant In ons prins en heeren triumphant;
tSeheen niet te zijn voor handen, Dat, wt soo kleynen landen,
Soud werden bracht Alsuleken macht, Ghewelt, en heyrcracht,
Heer, wilt ons doch voort verleenen Victoryen voorspoet,
Ghy siet wel dat wy 't meenen, Wy en spaeren lijf noch bloet,
Comt ons met ons banieren by. En stelt ons vry
Van de spaensche tyranny.
Farma'8 Klaaglied.
Och Paus, heylige vader, groot van waerdent
Wilt doch een klacht van my, u knecht, aenvaerden,
Hoe ick nu word verjaeeht aen elcken kant.
En Verliese steden, dorpen, en lant.
Kond ghy my geenen goeden raet toesclirijven,
Soo sullen my dees ketters heel verdrijven,
Brabant sal ick moeten verlaten rasch,
Soo valt uwen geschoren hoop in d' asch.
Coninek Philips, die my heeft gesonden.
Vergeet my nu, dat doet mijn hert deurwonden,
Uyt Spangiën en komt silver noch gout meer i,
Dat ick in 'tlant oyt quam my wel rout seer.
1 Over Filips' onwairJisc Lotlding omlreat Parma in de laatlte jiien