Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 305 —
Van wint gcjacght, van d'Engelsclie vervolgt,
Oock van Godts hant, seer zijnd' op hen verbolgt,
Naer Oostend nu, dan loopen zy nae 't Noort,
Heel Schotlant om, wie heeft desgelijex gehoort? —
Een groot deel op de Yrsche kusten stranden,
Een groot deel oock komen iu 's vyants handen.
De rest haer koers na Spaengiën heeft geset.
Doch al vergeefs, want Godt heeft het belet.
Geen bequaem weer noch wint hy hen verleent,
Sulex dat daerom sy wierden scer verkleent,
Eude, soo daer 'thuys yemaut is gekomen.
Dat hy uiet weer hem geeft op onse stroomen.
Gruwelijck gericht van Godt gebenedijt,
AVaer op wel staet te letten in dees tijt.
Een wonderwerck getuyght seker cn wis.
Dat als een menscE vol trots Godt tegen is,
Schikt Godt alsdan dat hy moet schandeu dragen;
Naer hy groot is, daerna meet Ily zijn plagen.
Maer gy Godts volck, door zyne macht behoct
Van dit gewelt, u monden open doct,
Ontsluyt u hert, wilt hem geven de eer.
Dat van Spangiën verwonnen is het lieer,
Maeckt dat zijn lof ende naem, vol van weerden,
Overal groot gemacckt wert op der eerden.
O gy Godts volck, dewelcke seer veel quaet.
Veel leyts, veel pijns, veel arbeyts, seer veel smact
Toebcreyt was, hiervan zynde bevrijt.
Hem lof en prijs geeft nu en t' allor tijdt.
En ziet wel toe dat gy dees wonderdingen,
lu geen vergeet of onaeht en laat bringen.
Kudde van Christ, die mettcr waerheyt wel
Nu seggen mocht: o Godt van Israël,
Hoe wondcrlijck hebstu ons vander doot
Des lijfs ende ziels bewaert, in desen nootl —
Singt van herten dc weerdigheyt verheven
Van zijn goetheyt cn sterekheyt daer bencven.
Segt: O mijn Godt, Vader in Hemelrijck,
Mijn rots, mijn borgt, wie is doch dijus gelijck?
Gelucksaligh, ja, gelucksaligh is hy,
11. 20