Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 304 —
Mijn is dees stadt, seyt d'ander; hoort, hoe jent
Ygelijek van hen (maer al te vroegh) vertelde.
Zijn staet, zijn landt, goederen, en zijn gelde.
Maer principael de coningh dachte te zijn
Alreets gekroont; wat koste tot dien fijn
Heeft hy gedaen! zijn voorgaende geluck
Gaf licm oorsaek te dwalen in dit stuck,
Denckende, dat alsnn, tot zijnder vromeu.
De schoone,roos van Engelaut was gekomen.
Maer Godt, die 'tal uyt den hemel door-ooght.
Den stouten drukt, den nedrigen verhooght.
Die van zijn volck goedighlijck hoort de klacht, .
Als sy benaut hem bidden met aendacht.
Heeft haestclijck over dit heyr hooghmoedigh,
Nedergestort zijn toorn en gramschap gloedigli.
Want d'Engelsche, gelijck als honden snel.
Dapper cn kloeck, tegen dees beyren fel^^
Hebben gedacn, al met haer kleyne boots,
Decs kraken hoogh met schieten veel aeustoots.
En hebben hen soo vromelijk gedragen.
Dat desgelijcx noyt is gehoort zijn dagen.
Die van Hollant en Zeelant, seer vermaert,
Siju alsdoen oock by malkander vergaert.
Hebben d* uytganck van Duynkercken soo beset,
Dat de pnnce van Parma wert belet.
Met'zijn schepen ende volck, in groote hoopen
Aldaer versaemt, alsdoen in zee te loopen.
En mitsdien dat des anders meyuing was.
Hem oock hier by te vo^en soo 'tgaf pas.
Heeft se verwacht, maer metter tijdt doch, hoort.
Heeft d'Engelsman gesonden aen hun boort.
Voor wint, voor stroom, veel branders, die hun deden
Nemen de vlucht, noyt meerder sehaa sy leden.
d'Ecn metter haest, zijnde voor braut verveert.
Hout af zijn tou, volck en schip hy salveert,
d' Ander oock mee zijn ancker stracks oplicht,
En om t'ontgaen sijn seylen hy outswicht,
Eu soo verbaest hen op de loop t' saem stellen
Laugs Engelant, de wint neemts' oock te quellen.