Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 303 —
O groolc zee, ick bid u, seght my, als
Dees sware last was op dija natiën hals.
Zijn dijn sclioudcren alsdoen niet moe geweest.
En van verdriet gehadt een swaren geest,
Woutstn dy niet alsdoen wel onderwinden.
Om schip en volck in dijn balgh te verslinden? —-
Hemelen en aerd', zeght my, als gy daer zacght,
Aen d'ander kant, noch een dier onvcrtzaeght,
d' Welck al geroet met yver ende vlijt,
Om hem byecn te voegen, niet den tijt
Verwachtend', hebstu dy niet willen setten,
Om dat alsdoen oock mede te beletten ?
O koningin, die Godt den Schepper vreest.
Die sondcrlingh gedrcyght heeft dit tempeest,
0 koningin, den vreemden goederlier,
Die bovenal gestacn heeft dit dangier,
Dochtc gy niet, dat Godes hant almaehtigh
Alleen geweest is dijn bewaringh krachtigh? —
Gy volckcren, die 't meyr als wcgh bepaelt.
End' gy Staten, die Christo niet eu facit,
Staten, verknocht soo vast met goet eendracht,
ïüt wederstant des spaenschen konings macht,
Zcidy niet: daer en is geen hoop voorhanden,
Dan alleen Godt, tegen onse vjauden? —
Gy, jonge spri^yt vau hoogh beroenule stam,
Waer door dit lant in voorspoct seer toenam,
Kint, dat ziju vader iu alles wert gelijck,
J^eynsde gy niet, dat Godt, in goetheyt rijck.
Alleen vermach ons dit gewelt afweercn,
Eu dat noodweer in kalmte docn verkeeren? —
Als nu de zee, niet seer met haren danck.
Gedragen hadt dees vrucht, twee macndeu lanek,
Heeft sy daerna, maer haest met wint gequelt,
Dees schepen al op een goê ree gestelt.
Ontrent de stadt van Galis dat zy waren.
Hebben daerom vreugt willen openbaren.
Onder hun was aireets verdeylt het goet
Van Eugclandt en van dees landen soet;
Mijn is, seyt d'ecn, lüervau 't gouvernemcat,