Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 302 —
Vast op liem betrouwen, ziju excellency wijt
Helpt ous wt't benouwen, ÏJrengbt ous vyant in rouwen,
Soot blijckt ghenoecb subijt, Altijt iut openbaer.
Met groot jolijt, prijst Godt in tijt. Edel graef Mauritius
verblijt, Iut nieuwe jaer.
De onoverwinnelijke Vloot.
Dc stercke Godt, eeuwigh eu souder cut,
Heeft zijn kracht hierin gemaeckt bekent.
Dat hy ter schänden en gantsehehjck onder de voet
Nu heeft gebracht der Spaeugiaerts hooge moet;
Haer wreet opset heeft liy, zijn naem ter eeren.
Door zijne macht, tot niet gedaen verkeeren.
O gy volck Godts, die op der aerden leeft,
U hert en mont tot zijnen lof begeeft!
Gy Engelsch volck, die Godt groot' gunst bewijst,
Danckt hem hooglick, met luyder stem hem prijst!
Gy Nederlant, met Engelaut verbonden.
Wilt overal van lof en danck vermonden! —
Iu 'tjaer eeu duyst vijfhoudert tachtigh acht —
Wonderlijck jaer by alle man geacht! —
Isser een dier van vier jareu eude dracht,
Van een Spaengiaert iu zee ter werelt gebracht,
Vreemt van fatsoen, in sterckte groot eu heerlijck,
Ende om te sieu seer wonder en vcrveerlijck.
Dit monster was de scheepstoerusting gro(4t,
Die d'aerd en locht gedreyght heeft metter doot.
Ja opentlijck dorst seggen op dat pas.
Dat hy geheel des werelts vreesen was.
End' dat lyeinant, soo stoutelijck dorst hy spreken,
Sou derven doen van tegenstant een teecken.
O Hemelen, als gy aeusaecht een vloot
Van hondert vijf en dertigh schepen groot.
Op 's waters rugh elck geleeck een kasteel.
Vol geschut, kruyt, loot, en volcks seer veel,
Meynde gy niet, dat men haest sou aenschouwen
Der kinderen Godts verderf en swaer benouwen? —