Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 738 —
Bloüts-hoofts, eude oock glieen schocu acn de Toet,
Glieen hoos aen de been, opt hooft ooc gheen hoedt;
lek sterve van honger noch daer boven,
Hoe sou ick dit dau connen loven? —
Erbarmt u mijnder, ghy eertsche cruyde!
Och! ofT mijn stemme soo harde luyde.
Dat Godt die Blorame bevel wou gheven,
My bystandt te doen iu dit leven.
Dat sy sich rondtsom my heipen vleyen.
Met haereu bladeren my te becleyeu;
Maer ick sit soo heel mt verdriet.
Die Eloemmen en willen iut water nict.
Ie suapire iusques a la mort;
Gherechticheyt, vous me Jaicies tort. —
Dees clacht hebben de Bloenimen al ghehoordt,
Eu waren hierin oock seer verstoort.
En saghen Ghelrouwicheyt iut verdriet,
Sy seyden, ten was haer tijdt noch niet:
„Lijdt u noch wat, wy ziju oock mat,
Oock gheheel vande coude verdreven,
Wy Bloemmcn hebben een landt-dach voorschreven,
Eu zijn oock soo metten ander verdraghen.
Den landt-dach te houden in 's Graven-Hagen,
In lannuari naemeutlyck, den thienden;
Want wy alle Bloemmen, nu dit siende.
Sullen u oock bekleen cn beschadauwen,
Dat hert int lijf sal u ervrauwen;
Stelt vry op de Bloemmen u vertrouwen,
Maer meest op Godt, die ons laet wassen,
tEn sou sich anders niet wel passen.
Die lieve bloemme, mijn Heeren Staten,
En sullen u oock gheensins verlaten.
Dit sonder ghevaer oft arghelist;
Sy brengen gheladen veel schepen met mist,
Daer die Bloemmen in sullen groyen;
In corter tijt verw^acht men 't bloyen,
Dat is gheheelijcken ous vennoede;
Godt de Heer, die schick alle dinck te goede!"
Een seer soete locht is tVtrecht in stede,