Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 295 —
1585.
Antwerpen.
Hoe dc Prince van Parma een brug over 't Scheld maecte
om Antwerpen Ic dwingen.
Goluckig zijn de steden, Daer de Ilcer wort ghevrecst,
Ende oock aengebeden, Ootmoedich inden gheest,
Die met ecn hart verslagen, Oock altoos sorge dragen,
Ja hebben ecn mishaghen, Dcir sonden minst cn meest.
O Heer! aenhooret kannen, Des volcx tAntwerp'in stat,
Wiltse doch nu ontfarmen, ïhoont haer doch eens den schat
Uwer grooter ghenaden, Zy, die nu zijn beladen,
AViltse met troost versaden, Opent haer doch den padt.
Zy zijn seer sterck beleghen, -Te water en te landt;
Heer! laet u eens beweghen. En doetse doch bystandt;
Want al de spaensche fielen. Die soecken te vernielen
De welvaerdt onzer zielen. Hier in dit Nederlandt.
Aensiet doch eens, hoe machtich Dat Parma nu daer leydt;
Maer teghen Gods handt crachtich En heeft hy niet bereyt;
Want alst den Heer wil gheven, Moet hy schricken en boven,
Jae, wordt oock gantsch verdreven. Door Godts almachticheydt.
Hy hceft voor hem ghenomen, Godts woordt te roeyen wt,
Eu dan in plaets Ie comen Met Antichrist gheluyt,
Jae, diensten der afgoden. Die God claer heeft verboden;
Veel argher als dc Joden Zijn sy, lioort mijn beduyt.
Men liet hem daer volbringhen De brugh — wast niet een
schant? —
Daermet hy nu can dwinghen Antwerpen, schier Brabant;
Maer Godt laet sulcks gheschieden, Omdat wy van hem vlieden,
Eu oock gheen eer en bieden Zijn heylich woort playsant.
Wy wiUen ous begheven Tot u, o Heere goet!
Tcrwyl dat wy noch leven, Verwaclitcn ghenade soet;
Wy hadden ons verlaten Op ruyters en soldaten,
Doe wy noch libcr saten, Nu straft ghy den hooghinoet.