Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 291 -
dWelc nochtans seer swaer is om te Imrdeeren,
Maer neen, hier boven men ons oplegghen gaet
Seer sware schattiiiglie, om tc furneeren
Ses tonnen gouts , dicmen moet numereeren;
De spaensche soldaten seer onghenadich,
Omdat sijt hebben laten accordeeren,
dWeIck sy houden voor een werck weldadich
Ach ! hadden wy doch so veel ghelts beradich
AVillen gheven om ons te defendeeren,
So en soude dit volck, wreet en moordadich,
Over ons also nu niet domineeren ,
liet welcke ons nu van nieus doet fondeeren
Ons casteel, dwelek wy eeus hebben gheraseert;
Wie soude doch al 't quaet connen sonnneereu,
Daer wy nu mctle wordeu ghepersequeert ?
Maer 'tis nu verloren ghecxclameert,
Hadden wy ons ghehouden als de coene,
So en worden wy dus niet ghetormenteert; Had enz.
Princelicke steden , seer hooch verheven ,
Die noch vry sijt van 's vyants tyrannye.
Wilt quade gheesten gheen gheïoove gheven,
Maer abandonnecrtse tot allen tijen;
Wilt u selven ende 't vaderlant bevrijen,
Staet vromelijck u religie voren,
Wilt niet inlaten de afgoderijen,
Maer weertse, so en gaet ghy niet verloren;
Staet malcandren by, so ghy hebt ghesworen.
Houdt het gheweer, dwelek ghy hebt, in handen;
Hebt liever u vrijheyt dan goet vercoren,
En maect doch nemmermeer verbont, met sehändcn,
Met de Spaegniaerden, die wt vreemde landen
Ziju comen, om u tot slaven te maken;
Sy meynen u nu te binden met> banden
Der onvrijheyt, maer wiltse doch versaken ;
Wilt door mijn exempel de meyning* staken,
Van te moghen crijghen een goet pardoene.
Oft gliy sult in groote slavernye gheraken; —
Had icx -niet ghedaen, ick eu souds niet doene.