Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 293 —
Sy maeckiea my wijs ick soude floreeren,
Als ick soude hebben gheaccordeert,
Ick soudet al hebben na mijn begheeren,
liaer eylaes ! het is nu al anders verkeert,
Ick hebbe nu tot mijuder schaden gheleert,
Datse my so deerlijck hebben bedroghen. _
tGoet is opgheslaghen, de dierte is vermeert,
Neering' my belooft is ecn dinck gheloghen;
Die soldaten die in my zijn ghetoghen,
Moet iek den cost gheven en wel Iraeteeren,
Ende daertoe nochtans wy uiet eens eu moglieii
Ons armoede claghen oft deplorceren;
Moete ick dit aldus noch langhe hardeeren ,
Miju borgers sullen sterven van hongersnoot.
Want veel gheven eu niet te recouvrecreu,
Dat maeckt mijne inwoonders naeckt ende bloot
Maer wat roepe ick nu om troost minjoot,
Had ick my ghehouden in mijn saysoene,
So cn ware miju armoede niet so groot. Had euz.
Ick meynde te trecken, met mijne schepen,
Waer ick soud' willen, in alle quartieren;
Maer neen, sy hebbense al wech ghegrepen,
Eude ghevoert na dAntwerpsche rivieren,
Om mijn nabueren daer med' te bestieren;
Noyt cn sach eeuich mensche grooter verdriet,
Daer ick coopmanschap raede woude hantieren,
Dat daer mijnen naesten leet mede gheschiet;
Vervloeckt moet hy wesen die my dat riet.
Dat ick mijn nabueren soude verlaten;
Ick had wat van te voren, nu heb ick niet,
Ick bon arm, arm zijn mijne ondersaten;
Ocli! had ick doch dit tractact ghelaten,
So en leet ick niet dese tyrannye,
Want wy boter onder de Turcken saten,,
Dan onder de spaengiüaertsche slavernye;
Sy (raetceren my so tot elcken tije,
Dat ick des claghens wel hebbe van doeue,
Maer wat batet my ? — dies ick seg oublije: Had euz.
iVacr ic noch vry met al het voorseyde quaet!