Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 288 —
Eer gy moordadelick mijn tuyn sout verwerven,
Dus wilt van hier zwerven, my geen geschil biet.
Al ben iek den prins quijt, ghy crijcht noch soo u wil niet!
Dat ghy voor een moorder wort gheacht,
Hebdy, dagh en uaeht, verradelick bewesen
Aen den prince van Oraengien, die, niet voordacht.
Door de goddelieke kracht voor d'eerste reys was ghenesen;
lek zwijgh noch van ander heeren ghepresen,
Daer wt dan geresen is dit oorloch fel.
Mach ick dan uiet voor u tyranny vresen,
Ül' daer teghen opstaen, moedich en rebel?
Ick meen wel ja, want men siet dagheliex wel.
Dat ghy, met boos opstel, soect te versUnnen
tüoet, bloet, van man, wijf, maecht, en jonck gheael.
Om soo moordadelieken mijnen tuyn te winnen;
Maer doet vrij u best, ghy suit weêrwerck vinnen.
Mijn leen sitter binnen, die seer fel sonder bril siet; —
Al ben ick den prins quijt, ghy crycht noch soo n wil niet.
Al zijdy verblijt in mijn beschermers doot,
tEn is daerom geen noot voor u gewelt te schromen.
Mijn tuyn wert versterct met menich patrioot,
Soo hacst die moorder schoot den prince, tuwer onvromen;
Want yder hevet kleet van beveynstheyt afghenomcn,
Denckende: tzijn dromen, dat wy vast blijven staeu
Op n beloften schoon; ghy sout ons doch betomen
Met u Inquisitie, ons aen een staeck te braên;
Dus hebdy geen gheloof dan by moorders plaen.
Die ghy mij sent ter baen, om den tuyn deur te wroeten.
Dan elck een is bereyt fel tegens haer te slaen,
So lang als sy mogen, met handen ende voeten.
Daerom pijnt u niet met pardon mij te groeten,
U sal wraeck gemoeten eer dat ghy stil vliet.
Al ben ick den prins quijt, ghy crijcht noch soo u wil niet.
Ghy en denckt nict eens om Gods princelijcke handt.
Die kan brengen tot schant rijcken, steden end heeren.
Dan alleen in te sloeken menich coninc zijn lant.
Om boven al gemant de werelt te regeeren,
"VVaer door dat coningen en princen van u keeren.
En mij assisteren met geit, goet, bloet, en raet.