Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 287 —
III.
Wat weent en zucht ghy, o Nederlandtsche landouwen,
In mijn doot, daer den gheest en ghedachteuissen, vol trouwen,
lievendich by u blijft, door myn daden groot van famen?
Heeft den Spangiaert gheen hoop, om 't bloedt van Nassauwen
En u te verwinnen, dan door moort, 't wordt onthouwen,
liiever dan ick en mijn gheslaclit decs moorders namen;
Moeste lijden, hebb' gheleden den dood-scheut, 'tsijnder
blamen,
"Van den koniuck, een tyran; ten kan hem niet baten.
Alleen blijft eendrachtich, vecht stout, wilt des niet schamen,
Bfa het zuere komt het zoet, Godt zal u niet verlaten;
Wavolght myn raet, vermaent het kilit opter straten,
Al tgheen ick u, tot beschermen der lauden,
Soo wel ghedaen hebb', met den vromen soldaten;
Sulex dat sy na u, den Spangiaert ter schänden.
Als ghy, de vrijheyt, met den vaillandcn
Vrijmoedich beschermen; wacrtoe, mijn edel gheslacht.
Wilt ghedencken aen mijn doot, kloeck als verstanden.
En wandelt in Gods vreese, dach ende nacht,
Bfadenckende wat hy wonders door mijn hant heeft ghcwracht!
IV.
Hollantsche maecht spreect teghens den Coninck:)
O ghy Spaenschen coninck, tyrannich befaemt,
Oock een moorder genaemt, hier opter aerden,
Ick woude dat ghy eens selvcr in mijnen tuyn quaemt,
So ghy onbescliaenit sent uwe Spaengiaerden!
Mijn getrouwe regeerders souden u met zwaerden
Vyandelick aenvaerden', en deurkerven kleen,
Omdat ghy mijn Vader, naest God van waerden,
Moordadeliek heb gcdoot, sonder recht of reên.
Maer nu blijfdy achter en macct u ghemeen,
Met den moorders alleen, om mijn tuyn te bederven,
tWelck God niet toelaten zal, hoop ic, met vrccu;
Want, die u vrienden waren, willen voor my sterven.