Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 286 —
Ghelijck ous partije, vol duvelsche trekeu.
David mocgdy oock wel ziju ghelekcn.
Die, uae Schriftuers sprekeu, Goliath bracht ter doot;
Ghelijck Samson hebdy Godts leet gaen wreken,
Godts cracht onbesweken bleef u by ter noot;
Al hebdy met hem ghestort u bloet seer root,
In Abrahams schoot quamt ghy door dit cruys; —
Lof! blijsehap en glorie van tBourgoensche huys.
Den verloochenden Catholijck hebdy niet ghespaert,
Mathatliias' aert thoonde ghy midts desen.
Den vos Herodes, die met fortse Heer wert verclaert.
Heeft nu zijn deel ghepaert, daer hy blijft verwesen;
Eoven Mareus Curtius zijdy weert ghepresen,
Die Roomen heeft ghenesen, als ridder vaillant,
Springhende in den put des doots, so wy lesen,
Waer door is gheresen ghesontheyt telcker cant;
Als Caius Mutius men u volstandich vaut.
Afbrandende sijn hant, die Porsena hadde ghemist,
Scgghende: noch dry hondert isser van sulck verstant.
Dies Porsena sant, en heeft nae peys ghevist;
Maer ghy Baltazar hebt deu rechten man betrist,
So ghy te voren wist, die 't gheloof bracht tot gruys,
Lof! büjschap en glorie van tBonrgonsche huys.
Jeraboam eerghierich, van herten obstinaet,
Vercocht om te doen quaet, in dese lauden:
Die heel Belgis heeft doen sondighen, vroech en lafit,
Binnen vol van haet, het hoofd der vyanden.
Heeft Godt gheslaghen door Baltazars handen.
Tot zijnder schänden, en een eewich verwijt.
Antiochus dede niet dan moorden en branden,
llooven dierbaer panden, tot Gods eere ghewijt;
De wortel van boosheyt, in onsen lijt,
Is bleven in den strijt, door Gods ghelünghen:
Den versteenden Pharao zijn wy nu quijt,
Hy blijft ghecastijt, die Gods volck wou dwinghen.
Dus laet ons met Moyses eenen lofsanck singhen,
Segghen onderlinghen, met een aecoort ghedruys:
Lof! blijsehap en glorie van tBourgousche huys.