Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 255 —
Dat ghy, door moorders daet. Nu zyt verslagen,
O boosen spaenschen raet. Het zijn n laghen!
't Jaer vierentachtich, Julio thien, eylacy 1
Vermoort waraehtieh, De Heere geef ons gracy! —
Te Delft binnen der stee, Met grooter staoy,
Begroef men hem, met wee Van alle naey.
Goe aeeordaney. Na edelheyts hanteeren.
Met ordonnaney Sach men schutters passecren.
De dienaers quamen nac Van al de heeren;
Men saeh, vroeeh ende spae, Zeer lamentccren.
Prinee almachtich. Heer! soudy ons nu geven
Ecu die ons crachtich Soude brengen in sneven,
Ick hoop een beter; Siet, o Heer verheven!
Straft na verdiensten niet Ous in dit leven I
II.
Lof! Baltazar Geerarts, die, door Gods providentie,
sConincks senteatie hebt gheexecuteert,
Over den tiran, Orainge, boos van inventie,
Wyens pestilentie in Belgis noch regneert;
Als eenen draeck heeft hy theel lant gheinfecteert,
Gods volck ghepersequeert, noyt herder noten,
Maer als Sint Joris hebt ghy ons ghedefendeert,
Wt liefden ghemoveert, den draeck doorschoten.
Als coninck Codrus geem u bloet vergoten,
Daer peys quam wtglesjiroten, so hy was te winnen:
Hierom heeft u oock geenen arbeyt verdroten.
En hebt vast ghesloten dit werck te beginnen.
Als een ander Phinees, wt jalourser minnen;
Dies elck moet bckinnen, spijt het ketters gespnys:
Lof! blijschap eti glorie van tBourgonschè huys.
Als Aod hebt ghy een vroom feyt ghewrocht.
Die Eglon ghiften brocht, nae zijn fantazije.
Denselven coninck heeft hy ter doot besocht.
Die Israel noyt vermocht, vol van envije.
In ziju somer-eet-camer was hy niet vrije,
Als een vette prije, heeft hem Aod doorsteken;
Achthien iaren hiol hy Israël in slavernije,