Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 275 —
Vermomt Hughenois, leuglienachtich van monde!
Haddy in de Parijssche moort gheen stonde
U eoussen te bynden, om sdoots te ontvlien,
tWaere nochtans tijt dat mense npbonde,
Ende niet en sloddercouste tot over de knien.
O valsch nytgheven, verradelijcke spiên
Des landts, omme rooven Hantwerpen, de stad!
Parijssche moorders! moeten wy ii hier ooek zien.
Met groote buycken np een ghebrouebillet gadt!
Was dat u knietasten naer de eoussebanden pradt?
Neent, maer of tslodder velteecken waere vergheten.
Ey moorders loos, van bloede niet zadt!
Moet men u ontranwe alle de werelt duere weten?
U zijn nu de eoussebanden met spieseen ghemeten;
Leertse upbynden ende thoont haer noblesse,
Ende en roupt niet meer, of ghy wert doot gesmeten:
Ville gaignéy vive la messe f^.
Ter messe hebdy gheweist, tis claer ghebleken.
Ons wachte duersteken, die ghy blootshoofts vont staen;
Ende zy deden u eere, schaempt u van u moorderstreken.
Maer quaemdy ter weken noch eens monsteren voortaen,
U zonder weinieh naer Vranckerijcke ghaen
Victorie roupen, twelck veele beclaghen mach.
Maer hadden wy u te Parijs alzulcx ghedaen,
Ghy zout ons vermoort hebben tliien daghen naer den dach:
Wy vermochtent u oock te doene een hart gelach ;
Wy zijn zulcx aerts nict, maer hebbeu uwer verschoont.
Meer als duysent ghevende stoot noch slach,
Maer ghevangheUck gheset, ghenaede bethoont,
Ghetraeteert naer dat elck was ghepersoont.
Danet Godt der goetheit, ende onser herten ghetrauwe,
Ghy die ontrauwich by ons hebt ghewoont.
tScheen dat elck zijn 'herte ons uitdelen zouwe.
Zo ghyncdy vooren open, cnopt nu vast u tan we.
Ghy'çreecht cnopgaten, rocriemen, bynt vast u tesse,
1 „ Les François pensoient que criant uive la Messe, les Catholiques
sortiroient à leur faveur; mais ils les trouvèrent plus rudes queles auties.**
Pruneaux aan BelÜères, 26 Jan, 1583 (Gachard's Arialerla Mg. p. SIS).