Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 255 —
Maer, ic bidde u, wacht u wel van de Walen ',
tZyn vlieghcn nut hospitalen, zy sonden u bedrieghen,
Zy en sparen Duuts, Vlamynck nochte vassalen;
Want zy schieten met loot, zy hauwen cn vlieghen.
Maer wacht liever eenen boer, wilt dien bewieglien,
Zeght dat hy den vyant heeft ghesustinccrt,
Met goet en ghelt, al zoudy daeromme lieghen,
Hanght hem met de duymen dat hy wert glieperscqueert,
Ende leet hem in taveerne ende lustich t.riumpheert;
Maer laet den boer zuchten ende trueren,
Tot dat hy u veel ghelts belooft heeft ende ghesolveert.
Zuypt cn zecct, brast butcr natuereu;
Want 't en zal niet langhe dueren.
Dynct u dat den boer nict en compt tc ryse,
Zeght dat u die spyse nict en dynct smaken;
Doet hem wijn halen op saudartsche wyse.
Zoo vint ghy beter voorderynghe in u zaken.
Terstont zal u den boer laten ghemakcn,
Ja, ghelijck een koe zal hy recken en gheven
Hondert pondt ofte bet, het zal u wel smaken.
Oft zydy van uwen capiteyn ofte cornel beschreven,
Om op den vyandt te trecken, en wilt niet beven
En zijt niet haestich, schuert met moeten u wapen;
Want 'tes periculeus, ghy zouter laten u leven.
Prijst bever goê daghen ende langhe te slapen;
Want op den vyant en zijn maer slaghen te rapen.
l.Ks beter te ghieten en te gapen bin dat magh ghebueren,
Ja, plundert de papen ende pynt de knapen.
Zuypt en zeect, enz.
Crijghdy van den boer nict ghelt ghenouch om zeecken cn
Zonder nyghen of stuypen weet ic u raet; (zuypen,
Beyt tot dat maerct-dag es, ziet een eoopman te becruypen;
Waer iu der verre uter stede eeu gaet,
Zeght: „Ghy zyt een spie, een verrader quaet,
Ghy zonet ons vadcrlant te brynghen in schandeu;
Jae, dat men u recht dede, men hynghe u metter daet,
Ghy hebt ons ghesehut gheraect met u handen.
l De Malkootenten, die iu het loopende jaar de VlamiDgen meer dan
eens geslageu hadden.