Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— äu —
IL
0, Nobiles, iiou iiobilcs ! Qui Bclgicac, non Belgioc
luforme nectitis jugum, Noii nectitis si nectitis.
O, quanta vos a postcris Manebit indiguatio!
Jan Kasimirs Soldaten.
[J. Kas. was ia hct laatst vau 1578 naar Engeland ge-
reisd; toen hij in het begin van 1579 terug kwam, vond
hij zijne soldaten vertrokken. Hun aftocht wordt iu het
volgende rijmpjen herdacht:]
Hebdy niet in Brabant geweest, aen der Staten syden?
Moet gy niet te voete gaen, moogt gy nict meer ryden?
,,'kHeb er geweest, kommeer niet meer,
Sy hebben kein geld, sy hebben kein eer.
Het sijn verlochend' lieden."
CSeiizeii-fury tc Ocnt.
[In Gent was het Geuzeu-dwangbewind onder Hembyze
en zijue hervormde ijveraars steeds in vollen gang. Oranje
had daar, in het vorige najaar, eerst door Ryhove (zie de
Nederl. onder Filips II. blz. 307) en later door eigen on-
middelijke tussehenkomst, oen einde aan trachten te ma-
keu, dat echter weinig duiurzaam was, cn hem slechts den
afkeer van beide partijen , die elkf.uder in hevigheid niets
toegaven, op den hals haalde, 's Morgens van den IOq
Maart 1570 stormden, niettegenstaande den godsdienstvre-
de door Oranje in Dec. bewerkt, ,, sommige moedwillige
Geuzen met den degen in de vuyst in dc kerken der GaÜio-
lyken.....liepen door kerken en kapellen, al de beelden
en outaren brekende, deuren en vensters, vloersteenen en
ijzerwerk namen zy weg, op sommige plaetsen braken zij
de grafsteden, enz." (de Kempenare, bl. 323). „Het is
niet om zeggen in 't byzonder, met hoe groote razernye eu
boosacrdigheydt alles is geschiedt," {Ohendsche Gesch, IL
IL 10