Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 679 —
Hy meynde wel te sijn een prince
Van 'tNcderlant, cn elck soldaet
Te maken rijck vati decs province;
Oock ons goet, land, glicld, en ghewaet.
Ia oock ons leven, (ö groot quaet!)
T'lie^jben voor buyt, en roof ghestolen.
Zoo Pharao, zeer obstinact,
Israël hadde onder sijn solen.
En hy creech oock, tzijnen bysfande.
Den dry-ghecroonden hooch gheacht,
Met zijn acnhangcrs veelderhande,
Dies hem gebrack echalckheyt noch macht.
Om 't vaderlant, soot was bedacht.
Te maeeken slaef, na huu vermeten:
De wolf stack hem int schapenvacht.
En had ons byna opgheghetcn.
Dan God had over ons melijdcn,
Om zijns naems wil alleen ghetron.
En heeft verweet, om ons bevrijden.
Den Machabeum van Nassou,
Om desen Antiochus-Üou
Te wederstaen , end' te vercleencn ,
Die al, soot scheen, verdrucken zou;
Maer God heb lof, hy bleef te Meenen (P).
Want hoewel don fan hoepte weder
't Nederland te vernielen al
Met eracht en bedroch, hy viel neder.
Als Phaeton verwacnt en mal.
De pest hem vander eerden stal.
Die een pest was veur geheel d*ecrde,
Venus voorderd* oock zijnen val.
Deur hare nymphen die hy begheerdei.
Alsoo heeft ghenomen een ende.
Die meynde, zijn monarche groot,
Gods kercke bringen in ellende,
1 Ret gerucht liep nnnaclijk dat „ Don Juan was gestorven aan eene
pestilenticle ziekte, welke hij hij de omhclsingcn der dochter van den
graef de Roeux, die daer oock aen stierf, xoude acngelrocken hebben."
(De Kempenarc, yi- Kron bl. 127.)