Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 220 —
ilaor biäck iauewaerts, waervaa haren asem stanck.
Een abstemie, eu midts dat haer de pijue dranck,
Liet sy eeucii schreeuw, dat ment in dsladt hoorde;
De MoiTen waren verschrickt duer al sulcken sanck.
En meynden datmen heur sohelmswacht vermoorde;
tFeyt vernemiende sy huer alsoo verstoorde(n),
Dat sy sanderdacehs ter poorten wttrocken.
Want hunnen troost stout op haer, met valschcu accoordc; —
Seiden spinnen sy goet garen, die quaet rocken.
Sy lach in dees stuyp tot den dry eu twintichsten dach,
Maer den waLicheu meester, die haer doen cureerde.
Omdat hy er daghelyc.x meer perykels iu sach,
Trac hy er sijn hant af en heur excuseerde;
Mits dat haer vuyhcheyt uiet en mincerde,
Maer weer innewaert groeyde, soo hem was bekent,
Soo gaf liijt de stadt aen, die hy vcradvertcerde
Dat haer dickmael veel gheveysde quamen present,
Met wien sy veel beter dan met hem was conteut;
Dus coos hy van alle periekel sijn ontschuldich;
Dat hy deen vercureerde, was dander gheschent,
Die vuylste craucken zijn alderminst verduldich.
Hierop hielt men te hove consultacie,
Men soudt open vliemen, dit viel ten besluyte,
dWeIck haest gheschiede, in corter spaoie,
Want het vuyl was te rijpe, het moester uyte;
Op bey zijden van den erop lacht in muytc;
Met dat ment opvliemden, viel sy in onmachte,
Üe vuyUcheyt schooter wt, ghelijck een spuyte,
Daermede is sy verschoyeu, donsalighe drachte;
tVerwondercn was groot, maer cleyn was de dachte,
Omdat sy menich mensche bedorven heeft,
Noch wert sy beweent vau diese salich achte;
Maer hoe kan hy goet zijn, die vau duecht verstorven leeft? —
Ghelijck tcasteel met liaest tot boosheyt gefondeert was,
Tot slants onrust, want tsoeckt altijt turbacie,
'sGhelijcks wordet om beters wil gheraseert ras,
Tot vrede des lants, lof hebbe Gods gracie!
Nooit roofnest en dede meer schandalisacic,