Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 218 —
Ons in daenscliouwen van u te pertxirbeerne;"
Oeh, dit moet iek al hooren, denckt hoe suet dat my smaeckt,
Want tberichten der waerheyt is quaet texcuseerne.
Dan veel vrouwen, die haer mans verloren hebben,
Eu nog weduwe blijven, dees zijn op my seer wreet,
Eylaes! dese mijn doot meest ghesworen hebben;
Omdat se nu troosteloos zijn in haer meeste leet.
Hoepen sy wraecke over my, en segghen, met goet bescheet.
Al die my noch soeckeü te houwen in waerde
Sijn moorders voor Godt, wiens handen noch sijn bereet
Om d' onnosel bloet te storten metten swaerde.
Dus ist al vergheefs, dat ick veel aenvaerde
Ecnighe rcceplen of sterke preservatijven;
Öch, dus wensch ick my wel thien speten onder d'aerde.
Want dat Godt en de mensch haet en can niet gheblijveu.
Dus om my te haten elok veel oorsaken vindt,
Want menich Imysman sijn graen brocht op mijnder erven,
Diet zelf gebreck had; dit op my veel wraken bindt,
Omdatter weinich hun geit kosten verwerven;
Noch dmeest, als men graen cn cost had laten bederven.
Dan moestent de borghers thunnen onwil coOpen,
Diet berooft was mochten van ghebreke sterven;
Dit dee my vioeeken crijghen met groote hoopen,
Eylacsen! wil men my daerom tvel afstroopen,
Omdat ick se aenhiel met hunne rooverije ? —
Daer isser meer in de stad; mocht men se al cnoopéii,
Daer en quam paep, rechter, noch buel te tije.
Och, ist uiet deerlyck dat dit wort al gheweten my?
Nochtans en heb ick eylaes! niet alleen die schuit,
Dan roepen sy — och, theeft my dickmacl ghespeetèn ny —
Dat ick mijnen roofnest laugh ghenoch heb ghèvnlt
Metter weesen goet eu bloet; en dit maeckt my sóo vehJult,
Dat ick mijn sinnen misse deur desperaciè.
Want dier my toebrachten — -s^aerom óp my ghebrulè? —
Hebben my moeten verlaten met schandlesaöie;
Och, quamen sy al ter scherper examinacie,
Die my de voet ga von en qnamens noch te bat.
Men soudcr noch vcel vinden, God kent de üacic,
Daerom heet ick der Laudschcyndcrs Magnificat.