Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 217 —
Heeft miju beste vriudeu ghemaeekt lol vyaiiden,
Ia, die niy eerst opholpeu, hebben sy bock beswaetl.
Èylaes, wat sal ick beghinuen, my toch dat verclaert!
Och, ick en weet gheenen raet, tnmch my wel verdrieten.
Dat ic myn boels, doen sy veel rijcdoms hadden vergaert,
In de meeste weelde minst mocht ghenieten."
Ick hebt langh vergheert, dwelck my qualyck becomen sal,
Och, voorts bedorven my die spacasche medicijnen.
Wat sy my brochten dat heb ick inghenomeu al.
Nu seggen my deeg meesters, by seker doctryneu,
Dat ick vergheven ben, met sulcke fenijneu,
Die inleot, ia dootelyck zijn cn corosijf
Dat my dit eerlanglic sal doen verdwijnen,
Duer een abstemie die my sal groeyen int lijf.
Ia, mijn ghebeente duercnaghen, noyt felder bedrijf;
Och,'souden mijn gheleerde my sus mishandelen,
Ey, daer ick meest opstont? o vervloeckt onsalich wijf!
Nu ickse meest van doen heb sijn sij gaan wandelen.
dÈrclistis, dat ick daghelycks noch groot verwijt lioore,
Itoer och, vaa al te weynighe worde ick beclaecht,
ï)ies ick my inwendich, tot alsulcker tijt, stoore;
Deen heet my: „bordcellióuster, menich vrouwe eu maecht,
lae oubeiaerde — tis iammer dat u daerde draeeht —
Ziju duer u gheschoffiert, teghen haren wille,
lioovers hebdy aenghehouwen, de goeden veriaeeht;"
Dit moet ick al hooren, daer ick dikwils om swille,
Al sou ick my gheerne nu wat houwen stille;
Het maeckt my soo beruert, dat ick my somtijls schame.
En my en can helpen clisterie noch pille,
Want gheen dinck en crenekt meer dan een quade fame.
Och, dan comen sommighe, die hen beromen noch.
Al ben ick nu cranck, haer leet aen my wreken;
lloe sou ick, ellendighe, dan becomen, och!
tYerwijt is te groot van alle mijn ghebreken;
Men heet my: „ landscheynster, u pols hebhen gesteken
Die stat in brande, iae menich ärm weese ghemaeekt^
Al isser sommighe, die voer u willen spreken,
Sy hielden haer best binnen, want u feyt is te naeckt;
Al waert over twintich iaer, wy sijn veroorsaeckt,