Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
i- 216 —
Weest wiltecora, vergevende ons de sehult.
Dat wy u dus lange buyten hebben gesloten,
Ghelljek wy hopen dat ghy doet, want u genadieh ghedult
Noyt zijn vyant als vyant heeft verstooten,
Weest willeeom, wiens liefde alle harten heeft deurschoten;
Weest willeeom, van pays ende vrede tfundament;
Weest willeeom, die, als groeyende loten.
Doet weder wassen die neeringe in allen entj
Weest willeeom by u kindren, als Vader excellent
Weest willeeom, enz.
Het kasteel van Antwerpen geslecht.
[„ Den 23 Ai^. wesende eenen vrydaeh, tusschen twee
ende dry ure, is het casteel van Antwerpen, bij advise
van de Generale Staten van Brabant, doen tertijt het regi-
ment van den lande bevolen sijnde, opt ^Ive casteel voor
Gouverneur wesende M. de Bours, begonst af te breken
ende des woensdaeghs daernadi is dènselven M. de Boura
metten Walsche soldaten aifgetrocken ende de Guldebroe-
ders van den ouden voetboghe ende cleuweniers daerinne
gelaten.
Den 28 Aug. werd het casteel van Antw. by M. de Boiurs
overghelevert in handen van de borghers, eude begonsten
tselve aftebreken, ter syde naer de stadt; hier en ghebrack
geen volck toe, tot datselve werck; die borghers trocken
hiertoe met vliegende vaendclen , mans , vrouwen, meys-
kens, jongens, ende kinderen om dit vileynicht werck te
mineeren ende te helpen breken." N. de Weert, Chronijk,
H. S.]
(Bekentenisse ende verscheydinghe van Madonna
CastiUia tot ÄntiBerpen.)
„ Och, hoe ben ick benauwt! en, dat my troost derven doet
is, dat ick weynich bemint ben in dese landen.
Dit bedroeft my meest, wee mijns! want ickt besterven moet,
Daer iele noch soo ionck beu, maer opghebracht tot schänden;
Och, ick en wijts niemant, dan die hadden in handen
Mijn voochdije, want haren onrcdelyckea aert