Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 212 —
Wildy dan u lant sien in vrcedsamcn luste,
Maect u 't kint quijt vau de Bahclsclie hoere.
Blijfdy *thouwende, ten sal u niet ghelueken,
Maer sult met ellende u selven bederven.
Ja tsal u so met slavernyen verdrucken.
Dat ghy kreupel en manc sult springen op krucken.
Roepende om hulp, en geen hulpe verwerven,
So dat ghy int eynde sult hulpeloos sterven;
Zijt dan gewaerschout, voesterheer-en en vrouwen.
Want laet ghy 'topwassen en zijn rijcke beërven,
't Laut wert geregeert van eenen hoop rabouwen,
Voor u voesteren salmen u den kop afhouwen,
Öo wordy int eynde noch gerecompenseert:
tEn heeft vant begin noyt anders gebrouwen,
Ja heel landen en steden geperturbeert,
Om dit- te bewijsen en dient niet lang gestudcert.
Want men hoort den slach noch vande spaensche tamboeren;
Wiltdy, hoort, hier af zijn ghepreserveert,
Maect u 't kint quijt van de Babelsché hoerc.
Wildy klaer sien den Judassen aert,
Siet de moort van Parijs aen, boven al verradich.
Zijnde als vrienden ter bruyloft vergaert,
tEn heeft mannen, vrouwen, noch kindren gespaert.
En noch na de moort blyvende onversadich;
Hoe dattet iu Duytslant geweest is schadieh.
Met meer ander landen, eest die historie.
Van zijn daet, gedaen in Ncderlant moordadich.
Hebben Hollant en Zeelant noch in memorie,
Maer tis daer verdreven, met kelck en ciborie,
So dat sy nu zijn in eenicheyt constant;
Al heeft Antwerpen met tkint gemaect veel glorie,
Hevet niet tot loon, destructie, moort, en brant ?
Meehlen, Aelst, Maestricht, ja tgantschc lant.
Werdet niet allomme geware zijn vuyl voere? —
Al wilde men u 'tvoestergelt geven op de hant,
Maect u Hkint quijt van de Babelsche hoere.
Ghy meugt u flatteeren en seggen als voren:
tEn sal over ons niet comen, so ghy verhaelt,
Maer werden hoochlick tot Staten vercoren.