Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 131 —
U oude previlegïen tegens decs guyteu;
Grijpt leouwenmoet, wederstäetse sonder gebey,
Want men hoort den goddelicken Plato uyten.
Dat elc-een, voor zijn vaderlandt en statuyten,
Goet lijf ende siele moet wagen bonwelie;
Hebt acht op haer moorden, rooven, eu rujten;
Haer daet was die van Naerden grouwelic,
Antwerpen is ooe haer voortstel verspouwelic,
Dit is haer ghesehiet van d' Inquisijtsehe dienaren;
Hebt manlie gemoet en geen herte vrouwelic.
Om sconinex landen in voorspoet te bewaren.
Want, waer neering is, is ooe welvaren.
Don Louijs totten lesuiien:
Ben ic niet van cleyn tot grootheyt gecomen,
Soomen aen mijn geslachte mach aenschouwen,
Mijn hopcheyt lecft zijnen oorspronc genomen.
Omdat i'o spaus gebodt altijt heb ghehouwen;.
Als lidtmact der inquisitiën vol trouwen.
Hebben dese haren seghen over my gewent.
Om de kettersehe Hollanders te benouwen;
Dc Zeeusche landouwen heb ic geschent.
Met Vitelli was ie in Duyvclandt present,
Daer mijn vote mirakelic door dwatcr drongen.
Den Luyterscljen pays, als een listich serpent,
Is den prins van Orangiën door my ontsprongen;
Dus zijn onse namen, oudt metten jongen.
Int levcnsboec te Roomen by den paus gestelt.
Voor onse sielen wordt ghclesca, gesongen,
Hierom en mach tegeu ons geen ketters gewelt; —
Sulc meynt salich zijn en wert van Moentgen verselt.
Den, Leeu van Hollqndl ende Zeelandt tot zijne Excellentie:
Hoe wel wy verlaten schenen, als naey veracht.
Van alle menschen hulpe en onderstant,
Soo quam Godt almaehtich noch thoonen zijn cracht,
Die ons eenen moet gaf als leeuwen vaillant, '
En heeft een stoutmoedicheyt in ons gheplant,
n. M