Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 18G —
Docü wasser ecneii wijsen raet gehoiiden.
Wie Caspar de Robles inne halen soude,
Een gouverneur in Vricslandt, en daer ghevangen i,
Naer zijn punitie had clck duyvel verlanghen.
Met den gouverneur opt slot te AVeert,
En den Dragon 2 wert oock van ons gheeert,
Hy sal inden gloeyenden oven seer wel micken,
Daer sal hy slanghen en i)adden slicken.
Die hebben wy met tonnen wt Hollant gebracht;
Dan den amptman tAntwerpen hier op wacht,
Om hem tc brenghen iut heische perck,
Ende is ghedoemt Godevaert Sterck,
En wort ghehouden voor een spaensch roffiaen,
De borgermeester vandcr Meere volcht dan aen.
Met Wolifaert schepen 3 al spaensghesint;
Doen quam Judas Lucifer omtriut,
En heeft liem een rolle inde handt ghegheven,
Daer al de verraders in stonden gheschreven.
Die gliinek men daer alomme rustich sortieren —
Men mach alle droomen wei wat verciereu.
I Zie boren. 2 Mondtagoa.
3 Deze als de vorigen behoort in Antw. thuis.
I>on Jans Opzet.
[Don Jan boette voor de kwade trouw zijus meesters,
cnv.de vergeeflijke achterdocht des volke dichtte hem voor-
nemens en bedoelingen toe, die met zijn ridderlijk karakter
M'cinig overeenstemden, maar welker schijn hij, dooreen
onberaden stap als dien zijner verrassing van het kasteel te
Namen, tot ergernis van den spaansehen koning, en tot
blijdschap van diens nederlandsche tegenstanders, zonder
dat te willen, nog deed toenemen. — Verg. de Nederlan-
den onder Filips //, bl. 120.]
De F aus tot zijne Cardinden:
Och lieve fratres, ben ic niet verheven,
Ecn stadthouder Christi? — wilt nu toch mercken,