Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 201 —
Wy plachten den boer te plaghen.
Om wijn cn wittebroot,
Dus moest hy rijden end jaghen,
Wy sloeghen de hoenders doot;
Als ander crijehslieden vrouwen.
Dan hepen op de gaerd,
Zoo aten wy dat wy wouwen^
Ghesoden en ghebraed.
Ist datse nu verlaten
Ous hoeren alle ghelijck.
De kindren, op der straten,
Bewerpen ons met slijck;
Zy hebben haer laten verdrijven,
t' Utrecht al van Vreeborch i,
Ecn voet voor 't gat te crijghen,
Dat is meest al mijn sorch.
„Dat meucht ghy nu wel mercken,"
Sprack daer een Spacngiaert saen,
„Die koe is op, 'tis vant vereken.
Onsen hochmoet is ghedaen;
Dat moghen wy we dancken
Mijnhcere van Bossoe2,
Ghy hoeren meucht wel schampen,
Wy zijn u allegaer moe."
Des moet de duyvel waghen,
Oyt Spacngiaert te hebben ghelooft!
Van vrienden ende maghen
Zoo hebt ghy ons berooft;
Gliy wout ons maken gravinnen
Van steden en dorpen moy, |
Nu moghen wy gaen spinnen,
Ende bedelen broot om Goy.
„Ghy draecht fluweelen mouwen.
Lobben en ringhen aen de hant,
Daerop een suiveren bouwen,
1 Zie boven.
2 Bossu, die in Nov. 1576 tot de partij der Slaten overgegaan, en
door dezen (Jan, 1577) naar Utreeht ge*onden. Verg. boven.