Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 131 —
O Antwerpen verheven,
Merekt wat u is geschiet.
Als dat gy komt in sneven.
Door 't rnisschen van een riet;
Want die u doen dit lijden,
Verstaet wel hoe ick meen.
Hadden tot allen tijden.
Wel hondert tegen een.
O gy Wethouders bloetgierigh i,
Hier voelt gy Godes handt,
Gy woeckenaers onmanierigli,
End' overdaders vailiant;
Leert nu Godt eens recht bekennen,
Verlaet u boosheydt quaet.
Opdat gy mocht bekennen
Dat over u hooft noch staet.
1 Verg. bl. 181 aant.
IL
O broeders, hoort, Ick sal elck gaen belijden
Die jammcrmoort. Die daer, in corten tijden
Nu es ghescliiet tAntwerpen, wel om claghen.
Het swaer verdriet Can geen mensche ghewaghen.
Dat op den vierden dach Van November, och wacli!
Ghescliiede, groot en clt^ene. Alsmen ons schreef het jaer
Zes en tseventich claer. Quam menieh man ia weeue.
Antwerpen rijck, Ghy waert een stadt ydoone;
Noyt ws ghelijk Was onder shemels throoue;
Vol goet en scat Waert ghy tot allen stonden;
Noyt rijeker stadt En was ter weerelt vonden;
Vol weelden abondant, Lieilijek cn playsant,
Schoone van timmeragie; Maer duer de Spacngiers quaet
Leeft ghy nu desolaet, Jammcrlijck, vol quellagie.
De Spangaerts fel Quamen met nijden gloedich,
In Handtwerpen snel. Als leeuwen seer hoogmocdich.
Zeer onvoorzien, Met wrcetheyt boven maten,
Als die crijchslièn sNocns al zaten cn aten i,
1 's MoT^ens om 8 uur, zegt Mendora p. 314, Jcwam^-n de Sjianjaarts
van builen ia het kasteel, waai- Davila ea de anderen hen noodden Trat