Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 131 —
Hy meende met machte dc Geusen te l)cvcchtcn,
Daer sachmen hen oprechten negen * schanssen van ghewelt.
Als monsieur de Hierges de tijding heeft outfanghen 2 —
Zijn hart was hem so bange — wt Brabant also ras,
Hy deê zijn knechten wijekeu van Woerden, met verlanghcn.
Zijn leger sachmen branden, ai op dat selve pas. -
Oorlof, ghy Princen, wilt u vermecren.
Dit is tot uwer eeren, willet4n danck ontfaen;
Laat ons God bidden, dat haren tijt mach keeren.
En haer macht vermecren, die Spaengiaerts te weerslacn.
loen zijac troepen naar Brabant ontboden Tvcrden, om tegen de oproerige
Spanjaarts gebruikt tc wordeu.
1 Lees: zeven,
2 Niet geheel juist, daar Megen reeds in Aug. opbrak, zie aant. 2.
Holland en Brabant.
De Staten van Brabant ende Vlaenderen vragen:
O, Hollant en Zeelant kloeckmoedich,
Wacrom treurt ghy in desen tijt?
Want Godt die sal noch, seer voorspoedich,
Verstercken u daden ghebenedijt;
Dus treurt nict, hcve med'ghcnotcn,
Want ghy sult sien, aen elcken kant,
Dat wt u wercken is ghesproten
Vryheydt in onse vaders lant,
Antw. Brabant en Vlaenderen verheven ,
Hoe connen wy oock zijn verfraeyt,
dEen stadt nae d' ander comt in sneven,
Ons velden ligghcn onbesaeyt;
Want Zierieksee, dat zijn wy quijtc.
Veel ligghen in verdriet versmoort,
dWeIck ghy oock doet, tot grooten spijte.
Omdat wy leeren Godes woort.
Vraghe. Hout op van claghen, vrienden fiere,
En toont u cloeck in u voorstel,
Soo ghy ghedaeu hebt goeder tierc,
Al sien u vyauden soo fel;
Zy hebben u noch niet verbeten,