Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— liO —
Deur paerden-, koe-huyden, hondcvleyseh, souder broot,
Eu katteu-, diirraen-, raeu bloet-eeteu, rees die pest,
Sulcx veel duysent burgers version de felle doot,
tSelieen den spaenschen tyrant sou daer maecken zijn nest; —
tSchip mach wat hellen, dan 'trijst wel weer int lest.
Leyden vast belegen met honger en pest prachtieh,
Socht den Spaenschen tyrant haer te becooren pas,
Met het schijn van pardoen, welck hy haer aenboot crachtich,
Gelijck een vogclaer 'tvogelken toetluyt ras,
Alst in 't wilt noch vliecht, omt tc crijgen in sijn kas.
Leyden sonder hoop, 't scheen gants tc bederven.
Verwacht dc doot, als een die knielt ouder 't swaert,
Dan Godt sont water, wint, verloste haer van sterven.
Den derden Octobris, deur Boysot cloeck vermaert; —
Geluekich is dc stadt, die Godt de Heer bewaert.
O wcleoni Admirael, o welcom 's Princen knechten.
Door wien Godt almaciitich ons t'saem heeft bevrijt!
Was der burgers geroep, om 't broodt saehmease veehten;
En int water springen, int ineomen met vlijt; —
Honger is een scharp swaert, als wel uytwijst den tijt.
Boysot mette burgers gingen stracx inde kerck,
Danckten cn loofden (Jodt, van sijn groote weldaden,
Spraecken: ten is nict ons, dan alleen, o Godt, u werck
Datter is gewracht, deur u groote genaden; —
Godt wilse helpen, die belast sijn en beladen.
t
IV.
Aenhoort, ghy Nederlanden ,
^ ' Met harten seer verheucht,
Tot Godt verheft u handen,
En looft sijn groote deucht;
Wilt IUI zijn eer verbreyden,
Ghy, die waert seer belaen,
üm die ontscttiugh van Leyden,
tWeIck onlanghs is ghedaen.
Maer wilt considereereu,
In dese wonderdact.
De stereke hant des Heeren,