Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 130 --
Ons admirael seer wijs bedacht.
Die was daer haestlijck byghebraclit,
Door die verradersche tonghen,
Dan het is hem vergaen seer sacht, '
Den dans is hy ontspronghen.
Oorlof, ghy heeren, op dit termijn.
Wilt onsen princc ghetrouwe zijn.
En ghy capiteynen by desen,
Laet ons nu trecken éene lijn,
God sal ons huiper wesen.
Reqnezens' pardon.
(Juny.)
Hollandt, Zeelant, wilt u bekeeren,
Doet, Brabant ter eeren, den koningh onderstant.
Zoo meught gy altesamen met vreughden leven.
Pardoen is u gegeven van den gouverneur vailiant.
„Papisten, wy en vragen niet na u pardoenen krachtig,
Wy gelooven in Godt almachtigh, die alle ^ck regeert,
Die geeft ons pardoen van onse boose gedachte —
O gy Cains geslachte, peyst oock op Godt den Heer."
O Geusen, waerom blijft gy dus vreemt van sinnen.
Wilt gy noch niet beminnen den paus, ons aertsehen Godt,
Die geeft u absolucy buyten ende binnen;
Ons dunekt aen u beginnen, gy hout met hem den spot.
„Die absolucy, die hy ons soude gevcu.
Hebben wy wel beseven te Zutphen in 't opcubaer.
Te Naerden en le Haerlem; wat sy daer bedreven.
Hebben wy al beschreven in brieven voorwaer."
Geusen, onsen gouverneur en is niet gekomen,
Wy mogen 't ons wel roemen, dan 'ora te maken vreê,
Daerom heeft hy brieven van Spaengiën mede genomen
Tot zijnder vromen, gij geloofter geen ter stee.
„Valsche Papisten, wy sullen u niet gelooven,
Gelijck die Mooren dickmael hebben gedaen;
Alsuleke schebnerye leydd' hy haer te vooren.
Dus waren sy bedrogen en jammcrlijck verraên."