Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 119 --
Sy en waren doe niet eens soo stout.
Dat sy sich dorsten streven.
In April, den achtsten dagh voerwaer,
Toogh graef Lodewijck op met sijn gantsche schacr.
Al na der Mooker-heyden,
Soo sterck quamen de Spangiaerts i aen boort,
Graef Lodewijck moeste scheyden.
liet huys te lleumen hebben sy gekregen.
En hebben de Spaengiaerts daer van gedreven, -
Veel beter hadden sy mogen rouwen,
lict hadde hem smorgens beter gegaen,
Nicmandt derft zijn vijandt veel betrouwen.
Te vier uren 'smorgens, hoort mijn vermaeu.
Hoort men de Spaengiaerts alarm slaen-.
En Waren seer wel gemoet om vechten.
De Geusen waren seer moede van gaen,
Niet wel dorsten sy bestaen te vechten.
Gascoenjaerts en Walen, verstaget my.
Stonden graef I<odewijk trouweiiek by,
Als vrome krijgslieden haren .heere,
Met schänden weken de Hoogduytschen daer van,
Waer af sy hadden kleyn eere.
Met schänden zijn de Duytschcn gewcecken,
Ende hebben een schuur in brandt gestcken,
Daer waren de Geusen verraden.
En zijnse soo dapper na gestreken,
En geslagen in haer slaghorden.
Seven uren heeft dese schermutsingh geduert,
Maer Joris Schenck ruyters hebben 't meest bcsuert.
En werden meestendeel doodt geslagen.
Hem vielen soo dapper de Walseh-ruyters aen,
't Welck sy wei mochten beklagen.
Van die schermutsingh zijn bleven doodt
Negen hondert en thien, verstaet mijn woordt,
1 Onder Don Sancho d'Avila, den kastelein van Antwerpen,
2 ,, De vijanden" zegt Mendofa, die meê vocht, „begonnen atle
honne trompetten te steken, van onze zijde werd geandwoord met uit-
noodigiug tot den aanval, en zij deden hetzelfde."