Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 112 --
Ous schepen niet en wijeken,
Zy doen de Geusen strijeken,
Tot ses ai int ghetal.
Mijn heeroom verblijt, met groot jolijt.
Bootschapten zijt, sonder respijt,
J)en commandeur ^ verblijt,
Hy is op zijn paert ghetreden,
En na zijn volck ghereden,
Maer seer kort was dacr zijn tijt.
Als hy daer quam, vier ende vlam,
Ghesehut vernam, zijn volck dat klam,
Over den dijck, kreupel en lam,
Ellendich quamense hem teghen,
Zijn ghesellen seer versleghen,
Ende riepen met luyder stem:
O grand Seigneur, le Commandeur,
Adieu honneur, hier gaen wy deur,
Verloren is 't parteur,
Men sach hem wederom rijden,
A^an lachen wel vermijden 2,
Ghestelt was hy te leur.
Mijn heerom voorseyt, aensiende dit leyt.
Zijn vrolickheyt is in druck verspreyt.
Deur de gantsehe stadt verbreyt.
Mijn heeroom onverduldich,
Met tranen menichfuldich,
Heeft der Spaeugiaerts doot beschreyt.
Als dc Philistecn voor Israël deen,
Haer hoochmoedige seen, die daeldcn beneên,
Alsoot hier claerlijck scheen;
Met claghen ende suchten.
Zeer jammerlijek sachmense vluchten.
Die Spaengiaerts voeren heen.
1 Kequezens, groot-komma odeur vau Kastilien. Zie blz. 106.
2 Julianus — cum — navem suam submergendam videt, in aquam prosilit
et ad aggerem baud procul distantem enatat, ubi a commendatore, qui,
vi&a procul pugaa , cum aliquot militibus accurrerat kilari facie exci-
pitur, dicenter[ue Juliane: ,,sciebas, gubernator, militem me esse, non
classlarium ; mctuendum est, ne, si mille mihi classes committeres,
omnes perderem, respondit Req. semper Deo gratias agendas, qui peccata
nostra rebus adversis expiare solitus sit." {^Mem.)