Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— SG —
Als ons voorouders deen?
Neen, al soude comen boven
Den alderondersten steen.
Al souden wy oock Verliesen,
Dats onse stadt gelieel,
Soo sullen wy altijdt kiesen
Tweedracht ende crackeel.
Etioli. Amsterdam, ick woud u raden.
Dat gliy thooft leght in den schoot,
En valt aen ons ghenaden,
Soo hebt ghy gheenen noot;
U backen en n brouwen.
Dat is toch al ghedaen.
Die zee zullen wy inhouwen,
Ghy conter ons niet wtslaen.
Amst. Al hebdy nu ghegrepen
Onsen stadthouderi net.
Met een deel van onse schepen,
Wy willen noch al bet;
Wy dorvent noch wel waghen.
Al waerdy noch soo quaet.
En hopen, in cortcn daghen.
Te verwinnen onse quaet.
Ench. Comt vry wt met uwen spinnen,
Wy setten u in ons deer,
Ghij sulter gheen prijs me winnen.
Al op de Haerlemmer Meer;
tEn sal u niet ghebeuren.
Al quaemt ghij noch soo iel.
Wij hebben binnen ons mueren
Soo menich fraay bootsghesel.
Amst. God is wonderlijck in ziju wercken,
Enchuysen, weest niet soo bout,
Hy helpt altijt den stereken,
Eick een, seer menichfout,
Spaengjaerden ende Waelen, ,
Die staen ons oock ter hant,