Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
^ G6
Eeu fra^ischc veudrich nauit aen subijt^
Des werden zy dry vande doot bcvrijt.
En beloofden den vendricli te loonen,
Conde by wat wtrccliten op sekcr tijt,
Met twee duysent goude croonen.
Don Frederick dcde heai eon vermaen,
lliet de vendneb dooj: tslyck en water gaen,
üm dat men sou meeaen iiy wacrt ontloopen.
So quam hy, tsclieen voor ons niet belaen.
Dicht onder de stadt ghecropen.
Als hy quam in d'Oyerstcns logiment.
En die sake selfs heeft wt bekent.
Heeft men een Spaengj^-ert, die daer was gevangen,
Des Eransmaus cleet aengetrocken jent,
A.ls ecu verrader op der mueren gehangen
Dit maeckte den vyant seor bcdruckt,
Siende zijn aenslach soo misUickt,
Godt openbaerde alle haer treken;
Zijn den achtsten October afgherukt,
A^an Alekmaer, soot is ghcbleken.
Nu bid ick u vrienden al int slot,
Gheeft niemant d'eero dan pJleen Godt,
Die sulck wonder heeft laten geschieden.
Een stadt tc houden, ten is geeu spot.
Tegen gewelt, met so weynich lieden.
l 25 Sept. Verg. dc aant. van den ooggetuige; de Spaujaarl was,
volgens dezen, Jan Jeron imo , die, naar der Walen zeggen, in Hjaiïeiij
deu raad gegeven liad des burgem. Pieter Kiesen kinderen aan de beeuen
op te hangen eu dan als de eenden bij den hals dood Ie draayen.
Klaaglied der spaansche soldaten«
Eylaes, wy moghen wel claghcn,
Wy papouwen al te hoop.
Omdat wy dus, alle daglicn.
Moeten tijen opler loop,
Van deseu duyyclschen bocrcu.
Die daer Icgghen op Crabbendam,