Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ 62 -
V.
Doe den spaenschea Senachcrib, hoort.
Tot Haerlem dcde soo grooten moort,
Sachmer veel iu Waterlaudt treureu;
Om Prince en Duc, men groot discoort,
Binnen Alekmaer sach gliebeuren.
Hierop nam menich papist merck.
En seyden: twert nu verloopen werck,
Lftet in de stadt geen Geusen comen;
Laten wyse wthouden met moede sterck,
Soo salt ons burghers vromen.
Als monsieur Cabeljau * dat bevont.
Dat tAlckmaer soo qualijcken stont,
Wilde met vier vaendels daer iu wesen.
Dat hem de burgers ontseyden goct ront.
En toonden vijantschap in desen.
Noirkarmen hoorende des ghewach
Quam voor Alekmaer den sestienden dach
July, met dry duysent soldaten.
En eyschten dc stadt op, alsoo men sach,
Beloovende veel ghenatien.
Cabeljau, Ruychaver ^ quamen iu de sladt,
In vreese haers lijfs, nochtans niet mat.
Hebben met hulp die poort opghcsleglicn,
En teghen som haer wil, al speet haer dat.
Het princen volck inghecreghen.
Groote beroerte was daer ghespoort.
De clocke sloecher aent een boort.
Men hoorden jammerlijckeu suchten
1 Jlir Jakob Cabeljau , door Oranje in voorlwat te hulp gezonden.
2 Noirc-irmes was met 30U0 man, bestaande in 12 vendels 8p;innschü
en 9 Dtulsche voetknechten , 2 koloniies Walen , In eenige. ruiteiij cn
geschut, op hevel van Don Rodrique, naar Alkmaar getrokken.
3 Óoor den burgemeester Floris van Teylingen tot befere gedachten
gebracht, hadden de Alkmaarders het kiijgsTolk onder C.abelj. en Ruikhaver
binnengelaten. Volgens de aant. t^an een ooggetuige , moesten de poorten
echter met geweld worden opengeslagen en ,, doe schoten de Geusen met
^of geschut in der Papisten Qd. i. het spaansche^ volk , dio vooits
trokken." Verg. Bor. I. 4i3.