Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— —
Men wousc in ghenade onlfangen,
Maer zijn gheslaglien ende glievanghen.
De stadt wy niet opgeven,
Sprack die overste luytenant j,
Wy bewarense van *s coninx weghen,
En gheven ons in Godes hant;
Ghij wilt den coninc verderven zijn lant,
"Vermoort de lieden acn eleken cant.
Met cruyt en loot wy u verwachten.
Van hongher suldy ons niet versmachten.
Zy schoten doen, wel seven daghen,
Op Haerlem, met groot ghewelt.
Met cartouwen cn dobbelslanghcn,
Hebben sy op dc mucren ghestelt;
Maer die vau Ilaerlem schoten lustich int velt,
Zy hebben soo menighen ruyter glievelt.
En so menighen Spaengjacrt gheschoten.
Dit hceft den Cornel verdroten.
Men sach Haerlem bestormen.
Met macht vielen dc Spacngjaerts an;
Daer laghender soo veel int"velt ghcstorvcn,
Vicrmael zijnse gheslaghen daer van;
De vrouwen quamen soo stouteliek aii,
!Met steenen, peckreepen, vier cn vlam,
Wierpense de Spacngjaerts van de mucren,
Zy crctcn als leelicke dieren.
Doen sy den lesten storm 2 verloren,
Bleeffcr wel aclit hondert doot en gcwont.
De Spaengjaerden schudden"liacr ooren,
Ghelijck als ccneu waterhont,
Zy traden haer geweyr met voeten terstont.
En riepen wt tyrannigher harten gront:
God was ecn Luthriaen geworden,
1 Wybout Ripperda.
2 De dichter bedoelt die van 31 Jan., waarover men verg. de léven-
dige beschrijving in Hosscha's Neerlands heldendaden te land, I. 208 v.
Het was na dcien slorm , dat Alva aan den koning schreef, dat ,, zelfs
door lieden die voor bun ^vettigen vorst vochten , hij nimmer eene .stad
too goed had zien verdedigen als deze door de oproeiiingen." (^Corr,
dc Phil, ƒƒ. II. p. 310).