Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— YTI —
de beide volgende eeuwen cektcr wordt dat allengs anders.
Zoo als'liet odium theologicum met recht eene spreekwoorde-
lijke vermaardheid verkregen heeft, is er, wat het kerkelijk
gel)icd aangaat, meestal geen jammerlijker schimpgcschrijf
tc bedenken, dan hetgeen daar, ook in rijm, gewisseld is,
cn slechts in enkole staaltjens mogen wij dat, om den loop
der geschiedenis zoo veel mogelijk gestaag in het oog tc hou-
den , opnemen. En was het op burgerlijk gebied wel beter? —
Ieder, dien het gebeuren mocht de eene of andere verza-
meling van Ncderlandschc vlugschriften te doorloopen, zal
die vraag ontkennend moeten beandwoorden. Ook hier
kunnen wij ons dus bij de keuze der Geschiedzangcu dezelfde
wet stellen. Daarenboven, ook voor de waardiger gesehied-
poëzy, voor alles wat in gepasten — al is het luimigeu of
boertenden — vorm bezongen cn berijmd is, is hier, juist
naarmate het aantal der stukken toegenomen is, het gehalte
doorgaans minder; wij mogen ons des, voor zoo verre ons
niet deze of gene voor de geschiedenis belangrijke mededee-
ling verlokken moet, bij het weinige verdienstelijke bepa-
len. — Ziedaar dus, waarom wij later zooveel minder uitvoerig
zullen kunnen zijn. Mogen wij slechts er weldra in de gele-
genheid toe gesteld worden! En waarom zouden wij daaraan
twijfelen? — Een schrander vaderlandsch geschiedvorscher,
heeft onlangs „de geschiedenis des vaderlands" als „een kost-
Lvir erfgoed" aan ons voorgesteld en warm bij ons aange-
drongen. „ Als eene natie," zegt hij terecht, „ waarlijk dien
naam verdient, dan kunnen hare nationale overleveringen
haar zijn , wat voor elk mensch de herinneringen uit zijn
leven zijn, een deel van zijn wezen" {*). Heeft dan deze
(■*) Aanspraak tjeh. bij do alg. verg. der Maatschappij tot Nut
vau 't Alg., Jen iO Aug. 1852, door Mr. lU'Go ÜEitHMAH , bl. Ö.