Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
i— VI —
verzameling. Voorloopig zeggen wij, en wij hopen zelfs dat
hot uitstel kort zal ziju; want voor zoo verre ons zelf betreft
zou ons niets beletten, onmiddelijk het vervolg ter perse te
leggen. Wij mogen echter van onzen uitgever, die, met
zijn warmen vaderlandschen zin, bij de uitgave eu ruime
oplage dezer beide bundels geene kosten gespaard heeft,
niet vergen, dat hij, zonder van eene genoegzame deelne-
ming verzekerd te zijn , zich aan nog meerdere kosten wage.
Wij wachten daarom geduldig het eerstvolgende baljaar af,
om, beandwoordt de aftrek daarin slechts eenigermate aau
hetgeen billijk vereischt wordt, ook de tweede helft onzer
geschiedenis, die der beide volgende eeuwen, in de zangen
van den tijdgenoot voor u op tc voeren. Wie bij de ken-
nis, die hij dragen mag van de velerlei burgerlijke en ker-
kelijke dichten en rijmen, de lof- en zege-zangen, hekel-,
schimp-, en spot-verzen der 17de en 18de eeuw, zich ver-
wonderen mocht, dat wij -dat alles in eene betrekkelijk
beknopte ruimte willen samendringen, dien melden wij liier
bij voorraad , dat wij, bij het samonstcllen daarvan, op
eenigzins andere wijze dan in het thans versclienene zulleu
moeten te werk gaan. Tot dusver gaven wij alles, genoeg-
zaam alles althans, wat er voor ons bewaard is gebleven,
voor zoo ver dit ten minste binnen ons bereik was; —
eene latere nalezing moge het ontbrekende aanvullen. Tot
die volledigheid gaf ons zoowel, voor de eerste 7 eeuwen,
het geringe aantal der overgebleven dichten aanleiding, als,
voor de tweede helft der 16de eeuw, die alleen meer dan
een gcheelen bundel inneemt, de belangrijkheid van den tijd
niet minder, dan de, spijt al de leemten in beschaving of
kunst, (och zoo krachtig en treffende, dikwijls zoo roerende,
steeds hun tijd zoo geheel waardige geest zijner dichten. In