Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— -406 —
Moet gliij om mijnent wille laten lijf en goet.
Hoe souden wy dan vreesen. God latet ons geen weesen,
Hoe ghij, vorst des duyvels, op ons zijt verwoet. — Opu, enz.
Die God verloochent, sal iek oock versaken.
Als hy meynt te raken int nieu Jerusalem,
Maer die hem belijt, die sal hy groot makon,
nVelck dat willen laken die van Caphernaem;
AVai^t zij liever derven te hooren Gods stem.
Dat dan haers vlees wellusten hier souden moeien rusten,
tEcwich verdoemen laden desulek op hem. — Gods, enz.
Ic laet elc besien, of wy seonincx landen
So brochten ter schänden, gelijck men u nu siet;
AVy waren reed' te weeren zijn vijanden;
Die ghij doet verbranden u noyt misdeden yet;
d'Edele, die den coninc int strijden noyt verliet.
Doet gy sehandelijc sterven, om hen laut te beërven.
Dies bekennen wy u voor een Heere niet. — Op u, enz.
Souden wy kennen voor u ons misdaden,
Die, vol ongenaden, niet en doet dan onrecht?
En sconincx wet siet men u selfs versmaden!
t'Zijner grooter schaden, zijt worden zijn knecht;
I.Eynden uwer dagen wert ghij gemaect heel slecht.
Als onse God sal wreken het quaet aen u gebleken:
Wat helpt dan dat ghij ons wten lande seght? —'Gods, enz.
Een ciiristelijcke kercke kennen wy te gader,
Daeraf (jod is Vader, Christus iict hooft seer reen,
Vant hooft des paus zijn wy een versmader,
Hy is geen ontlader der sonden, groot noch cleen,
Koch is ooc niet gcbout op den levenden steen,
Gods eer heeft hy gestolen, de simpelen doen dolen.
Al zijn insetten verwerpen wy met een. — Op zi, enz.
Als stadhouder Christi derfdij hem noemen.
Dit kint der verdoemen, tuycht ons de schriftuer.
Van al dat godsdienst heet, derf hy hem roemen.
Dat hem ele moet schromen, door zijn wreetheyt stuer;
Hy is dbcest vol hoofden, des rooden draeex üguer,
Daer uiet voor willen buygen alle Christen getuygen.
Dies haer de tweede doot niet sal vallen suer. — Gods, enz.